De auteur was president van Mexico en staat nu aan het hoofd van het Yale Centre for the Study of Globalisation.
...

De auteur was president van Mexico en staat nu aan het hoofd van het Yale Centre for the Study of Globalisation.Al van bij het begin was de Doha-ronde in Qatar in 2001 gedoemd om te mislukken, net zoals de conferentie van de Wereldhandelsorganisatie ( WTO) in Cancún in september 2003. Het was een kroniek van een aangekondigd fiasco. Na het drama van 11 september 2001 was het enthousiasme voor een internationale samenwerking groot genoeg om van start te gaan met de ronde. Ze werd zelfs de Ontwikkelingsagenda van de WTO gedoopt. De ontwikkelingslanden werden overtuigd om deel te nemen, omdat de onderhandelingen de enige kans boden om talrijke aanslepende kwesties aan te pakken, in het bijzonder het weinig fatsoenlijke landbouwprotectionisme van de rijke landen. Al bij het begin waren er evenwel voldoende redenen om sceptisch te staan tegenover de oprechtheid van de rijke landen om van de ronde een succes te willen maken. Zo accepteerden de Europese Unie en Japan de overeenkomsten over landbouw pas nadat ze een heleboel andere zaken van veel minder belang voor de ontwikkelingslanden op de agenda hadden geplaatst. Bovendien forceerden ze een alles-of-niets-aanpak bij de afsluiting van de gesprekken. De VS ondermijnde vervolgens hun liberaliserende doelstellingen door staaltarieven in te voeren en een wetsvoorstel om de eigen landbouw zwaar te subsidiëren, goed te keuren. De VS bracht zelfs zijn leiderspositie in de handel nog meer schade toe, toen hij in december 2002 een overeenkomst om arme landen gemakkelijker toegang te verschaffen tot basismedicijnen, blokkeerde. Het duurde acht maanden om die blokkering op te heffen. De fundamentele oorzaak van het ontsporen van de ronde had te maken met de landbouw. De EU was daarbij de ergste (maar niet de enige) dwarsligger. Pas in juni 2003 maakte ze een paar lichte hervormingen van haar gemeenschappelijk landbouwbeleid bekend. Enkele dagen vóór de Cancún-conferentie kwamen de VS en de EU samen om een coalitie te vormen voor de voortzetting van hun landbouwprotectionisme. Hun gezamenlijk voorstel bleef vaag over de toegang tot de markten, maar was duidelijk over de bescherming van de gigantische subsidies aan landbouwers. Dat verworpen voorstel leidde tot de vorming van een coalitie van landen onder leiding van Brazilië, India en China, die hun eigen landbouwvoorstel indienden en voet bij stuk hielden tot het einde van de bijeenkomst. Zelfs een ultiem gebaar van de EU - die erin toestemde om de multilaterale investerings- en mededingingsakkoorden van de Doha-agenda te schrappen - kon de onderhandelingen niet meer vlot trekken. Of er in 2004, het jaar waarin de ronde afgesloten zou moeten worden, aan die ramp iets gedaan kan worden? De kans is klein. De Doha-ronde zou wel onmiddellijk heropleven als de landen ernstig onderhandelen over de liberalisering van de landbouw. Daarvoor moeten de rijke landen eerst hun landbouwsubsidies drastisch verlagen en de importbeperkingen verminderen. Maar ook de ontwikkelingslanden moeten een grote inspanning leveren om ernstige handelshervormers te worden met het oog op hun eigen belangen op langere termijn. De ontwikkelingslanden hadden gelijk om de bal die hen door de EU en de VS werd toegespeeld, terug te kaatsen. Maar het zal voor hen een Pyrrusoverwinning zijn als ze de bestaansreden van de ronde blijven aanzien als een kans om zoveel mogelijk toegevingen los te weken, zonder zich te moeten openstellen voor de internationale handel. Hun ontwikkelingsvooruitzichten zullen erg somber zijn als ze blijven vechten voor vrijstelling van WTO-verplichtingen in plaats van zich te verzekeren van vrijere toegang tot alle internationale markten. In 2004 hoeven we niet bijster veel vooruitgang te verwachten in de onderhandelingen over markttoegang. Het binnenlandse beleid van Europa en Japan, zal de landbouwhervormingen niet gunstig gezind zijn en uit de VS, waar de presidentsverkiezingen voor de deur staan, is nog minder heil te verwachten. De ontwikkelingslanden zullen ook nog een tijdje nodig hebben om af te koelen na Cancún. Als de WTO-leden de gesprekken uit het slop willen halen, gaan ze beter discussiëren over principes in plaats van details. Paradoxaal genoeg zou het wel eens gemakkelijker kunnen zijn om tot een belangrijkere overeenkomst te komen: een totaalvisie over het multilaterale handelssysteem, een visie die groei en ontwikkeling aanmoedigt. Door tijdelijk niet over minder belangrijke details te onderhandelen, kunnen WTO-leden tot een overeenkomst komen waarbij, op een gemakshalve verafgelegen lange termijn, het handelssysteem ervoor moet zorgen dat de barrières op alle koophandel worden opgeheven, dat er een aanzienlijke en totale liberalisering van de handel in diensten wordt doorgevoerd en dat de principes van reciprociteit en non-discriminatie worden opgelegd. Ze zouden misschien ook kunnen overeenkomen dat de WTO pas optimaal zou functioneren als die zich enkel focust op de handelsliberalisering en verlost wordt van andere bestuursfuncties. Als die idealen geadopteerd worden, zouden onderhandelaars een kompas hebben dat hen helpt het noorden te vinden op de woeste wateren van de handelsgesprekken. Ernesto Zedillo Ernesto Zedillo