De politici, de werkgevers, zelfs de top van de vakbonden - allemaal zijn ze geschrokken van de reactie van de man in de straat op het Generatiepact. Amper enkele duizenden mensen die wat later met (brug)pensioen kunnen, en toch bleek het land te klein. Dat belooft voor het vervolg. Er is immers nog maar een twintigste van de nodige inspanning geleverd. Want het Generatiepact zou goed zijn voor een stijging van 0,3 procentpunt van de werkgelegenheid, terwijl we ten minste 6 procentpunt nodig hebben om de vergrijzing te betalen.
...

De politici, de werkgevers, zelfs de top van de vakbonden - allemaal zijn ze geschrokken van de reactie van de man in de straat op het Generatiepact. Amper enkele duizenden mensen die wat later met (brug)pensioen kunnen, en toch bleek het land te klein. Dat belooft voor het vervolg. Er is immers nog maar een twintigste van de nodige inspanning geleverd. Want het Generatiepact zou goed zijn voor een stijging van 0,3 procentpunt van de werkgelegenheid, terwijl we ten minste 6 procentpunt nodig hebben om de vergrijzing te betalen. Waar zitten de diepe wortels van dit ongenoegen bij de basis? Is een mogelijke verklaring dat de werkmens al jaren het refrein van loonmatiging hoort en ook al jaren het resultaat van deze klaagzaag voelt - of beter gezegd niet voelt - in zijn portemonnee? Want je moet er een vergrootglas bijnemen om de jongste jaren een stijgende koopkracht van de brutolonen waar te nemen. Toch lijkt dat kinkloppen niet veel uit te halen. De loonkostenhandicap neemt toe, het herstel van de werkgelegenheid is schuchter en bij elke loonsonderhandeling klinkt hetzelfde liedje van loonmatiging. Maar de werknemer kan ook tellen en vraagt zich misschien af in wiens zakken de economische groei - die al jaren hoger ligt dan de stijging van de koopkracht van de gezinnen - gebleven is? De bedrijfswinsten gaan erop vooruit en de beurzen juichen. Ook wie een huis heeft, deelt in de pret van deze vermogenseconomie. Maar wie het van een loon moet hebben, is niet uitgenodigd op het feest. Misschien zit daar de dieperliggende onvrede. De geneugten van de internationale vrijhandel zijn op dit moment niet eerlijk verdeeld: de aandeelhouder wint, de loontrekkende ook wel, maar hij moet nu tevreden zijn met de kruimels die van tafel vallen. De arbeidsconcurrentie uit Oost-Europa en Azië is er nu eenmaal. En de volksverhuizing van vooral industriële banen en productie begint pas. Niemand weet waar het eindigt, want niemand heeft ooit een globalisering op deze schaal meegemaakt. Het is in deze fase van de globalisering knokken om de jobs en dus wordt er gebradeerd op de prijs van arbeid. De slinger zal ooit terugslaan en arbeid zal op een dag meer delen in de welvaartswinst, maar intussen is het tandenknarsen. De politici aarzelen echter om hun kiezers door dit proces sturen en dat is ook te merken op de WTO-top in Hongkong. Het inperken van de totale loonkosten is intussen een must. Zowat alle westerse landen hebben dat begrepen, Duitsland op kop - de loonstop is er intussen zo indrukwekkend, dat Duitsland misschien onverwacht snel opnieuw een locomotief(je) van Europa kan worden. Is dit nog jaren ons lot? Moet de koopkracht van de Belgische gezinnen nog jaren achter slot en grendel, terwijl de concurrentiekracht er nauwelijks beter van wordt? Neen. De twee zijn verzoenbaar - netto meer op de rekening van de loontrekkende én een daling van de loonkostenfactuur voor de bedrijven - als de overheid de fiscale druk op arbeid drastisch verlaagt. Maar dat kan ze pas als ze drastisch snoeit in de overheidsuitgaven. Wie het Belgische vraagstuk ook draait of keert, die loopt zich altijd vast op dezelfde muur: de overheidsuitgaven zijn te hoog en zorgen ervoor dat België de globale ratrace aan het verliezen is. Daan Killemaes