De hervorming van de vzw-wet op 2 mei 2002 heeft de verplichtingen uitgebreid van de bestuurders van (zeer) grote vzw's die een boekhouding moeten voeren die conform is aan de bepalingen van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van ondernemingen.
...

De hervorming van de vzw-wet op 2 mei 2002 heeft de verplichtingen uitgebreid van de bestuurders van (zeer) grote vzw's die een boekhouding moeten voeren die conform is aan de bepalingen van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van ondernemingen.De nieuwe wet bepaalt dat de raad van bestuur moet bestaan uit ten minste drie bestuurders, tenzij er slechts drie personen lid zijn van de vereniging. In dat laatste geval zal de raad van bestuur slechts uit twee bestuurders bestaan. Het aantal bestuurders moet sowieso kleiner zijn dan het aantal leden van de vereniging. De grote nieuwigheid in de wet is de residuele bevoegdheid die toegekend wordt aan de raad van bestuur. Dat betekent dat de bevoegdheden die door de wet niet uitdrukkelijk toegekend worden aan de algemene vergadering, voortaan onder de bevoegdheid van de raad van bestuur vallen. De statuten kunnen die bevoegdheden wel nog beperken. In de mate dat de statuten het toelaten, kan de raad van bestuur zijn bevoegdheden inzake vertegenwoordiging of dagelijks bestuur afstaan aan een van de leden of aan een derde. De nieuwe wet heeft immers twee nieuwe 'organismen' in het leven geroepen: de personen aan wie het dagelijks bestuur is opgedragen en de personen gemachtigd om de vereniging te vertegenwoordigen. De notie 'dagelijks bestuur' valt in principe samen met degene die door het Hof van Cassatie ontwikkeld werd voor de vennootschappen, namelijk "de bevoegdheid om bestuursdaden te stellen die het dagelijks leven van de vennootschap niet overstijgen of die wegens hun beperkt belang of de noodzaak voor een snelle oplossing, de tussenkomst van de raad van bestuur niet rechtvaardigen." De nieuwe bestuursorganen zijn facultatief. De bestuurders, al dan niet lid van de vereniging, kunnen zowel natuurlijke personen als rechtspersonen zijn. Zo kan men zich voorstellen dat het mandaat van bestuurder in de vzw uitgeoefend wordt door een managementbedrijf, vertegenwoordigd door een van zijn bestuurders. De uitoefening van dat mandaat zal gevolgen hebben voor de aard van de inkomsten, hun belasting en het stelsel van sociale zekerheid. De bestuurders worden benoemd door de algemene vergadering in overeenstemming met de statuten. De duur van het (hernieuwbare) mandaat van de bestuurders moet vastgelegd worden in de statuten. De benoemingsakten van de bestuurders moeten bovendien de omvang vermelden van de bevoegdheden van de bestuurders en de manier waarop ze die dienen uit te voeren. De wijze van beëindiging en opzegging van het mandaat van bestuurder moet beschreven worden in de statuten, omdat het gaat om beslissingen die onder de bevoegdheid van de algemene vergadering vallen. De bestuurders hebben eindelijk ook de mogelijkheid om ontslag te nemen. Ook de modaliteiten van het ontslag moeten in de statuten staan. Een ontslag mag de vereniging geen schade berokkenen. Omdat een vzw per definitie geen lucratief doel nastreeft, zou een mandaat onbezoldigd moeten zijn. Toch wordt een vergoeding algemeen aanvaard, althans als ze een 'billijke tegenprestatie' vormt voor de professionele activiteiten die de bestuurders in de vzw uitvoeren. Die vereiste is ook toepasselijk op de honoraria en commissielonen die door de vereniging uitgekeerd worden aan bestuurders-rechtspersonen. We moeten echter voorzichtig zijn: een vergoeding die te hoog geacht wordt, kan de vereniging in botsing brengen met de wet op de vzw's, omdat ze geacht wordt haar leden geen materiële voordelen te bieden. Dat kan zelfs leiden tot een gerechtelijke ontbinding van de vereniging. De fiscus kan dat feit aangrijpen om de vereniging te onderwerpen aan de vennootschapsbelasting. De wet van 2 mei 2002 wijzigt de regels voor de verantwoordelijkheid van de bestuurders niet. Die kan ingeroepen worden door de vereniging zelf of door derden. In beide gevallen zijn de bestuurders in principe hoofdelijk aansprakelijk, behalve als het om een gemeenschappelijke fout van verscheidene bestuurders gaat of om fouten die gelijktijdig door verschillende bestuurders werden gemaakt. Als een bestuurder een persoonlijke fout begaat (een 'bestuursfout') tijdens de uitoefening van zijn mandaat en als die fout de vereniging schade berokkent, kan hij persoonlijk verantwoordelijk gesteld worden. Het is dan aan de vereniging om de fout die door de bestuurder werd gemaakt te bewijzen en het oorzakelijke verband met de schade aan te tonen. Ten opzichte van derden: de bestuurders gaan geen enkele persoonlijke verplichting aan voor de verbintenissen van de vereniging. Maar als de bestuurders een fout begaan die schade berokkent aan een derde, kan die zich wél tegen hen keren. Bovendien is de vereniging verantwoordelijk voor fouten die kunnen toegeschreven worden aan de bestuurders, voor zover ze handelden in het raam van hun bevoegdheden. Zo zal een derde die het slachtoffer is van een fout die door een of meer bestuurders begaan werd, de vereniging en/of de betrokken bestuurders kunnen dagvaarden. Indien de vereniging een schadevergoeding uitkeert aan derden, kan ze zich vervolgens wenden tot de verantwoordelijke bestuurder(s). Een natuurlijk persoon die een mandaat van bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of een soortgelijke functie uitoefent, wordt vanuit fiscaal oogpunt beschouwd als een bedrijfsleider. De bedrijfsleiders vormen een aparte categorie belastingplichtigen. Het stelsel van de bedrijfsleiders kan als volgt samengevat worden: Ze zijn onderworpen aan de gelijktijdige toepassing van de bedrijfsvoorheffing en de voorafbetalingen. Ze zijn onderworpen aan een speciaal regime van forfaitaire kostenaftrek (eenvormig percentage van 5 %). Ze vallen onder de toepassing van het attractieprincipe. Met andere woorden, alle vergoedingen die een natuurlijk persoon ontvangt van de entiteit waarin hij zijn mandaat vervult, worden beschouwd als een vergoeding van bedrijfsleider. Wanneer ze een gebouw dat hen toebehoort verhuren aan de entiteit waarin ze hun mandaat uitoefenen, wordt het buitensporige deel van de huur of de huurvoordelen belast als beroepsinkomen. Moeten ook de bestuurders van een vzw vanuit fiscaal oogpunt beschouwd worden als bedrijfsleiders? Neen, althans als het gaat om een natuurlijk persoon die een mandaat van bestuurder bekleedt in een vzw die onderworpen is aan de belasting op rechtspersonen. Er moet echter ook aan enkele andere voorwaarden voldaan worden: De vereniging mag zich niet bezighouden met een uitbating of activiteiten van winstgevende aard. Als de vereniging zich inlaat met winstgevende activiteiten, dan mogen die alleen uitzonderlijk of bijkomend zijn, en geen gebruik maken van industriële of commerciële methoden. Als aan al die voorwaarden voldaan is, zal het stelsel van de bedrijfsleiders evenmin toegepast worden wanneer de bestuurder huurinkomsten ontvangt voor een gebouw dat hij ter beschikking stelt van de vereniging. De auteurs werken voor Deloitte. Renaud Hendricé, Xavier Gérard