Morgenavond gaat de Belgische voetbalcompetitie al opnieuw van start. KV Mechelen ontvangt landskampioen Club Brugge. Voetbal interesseert u niet, want economie is helemaal uw ding? Een prima reden om alsnog een ticketje te kopen.
...

Morgenavond gaat de Belgische voetbalcompetitie al opnieuw van start. KV Mechelen ontvangt landskampioen Club Brugge. Voetbal interesseert u niet, want economie is helemaal uw ding? Een prima reden om alsnog een ticketje te kopen. Economie en voetbal zijn eng verbonden. In de eerste plaats omdat de economie van het voetbal gigantisch is: wereldwijd gaat er zo'n 15 miljard euro in het voetbal rond. Volgens een recente studie van KPMG bedraagt de bedrijfswaarde van de grootste tien Europese clubs meer dan 18,5 miljard euro. Maar er is meer: het voetbal is een miniatuurmaatschappij. Het spelletje, met zijn tactiek en zijn organisatie, helpt dan ook om de algemene wetten van de economie te begrijpen. Volgens Ignacio Palacios-Huerta, professor aan de London School of Economics en auteur van L'économie expliquée par le foot en Beautiful Game Theory: How Soccer can help Economics, "vormt de sport een perfect laboratorium om de economische theorieën uit te testen. De gegevens liggen voor het grijpen, de doelstellingen van de spelers zijn meestal heel eenvoudig (scoren, winnen, de regels respecteren) en de resultaten zijn glashelder." Romelu Lukaku, Eden Hazard of Thibaut Courtois kunnen dus prima economieprofessoren zijn. Het bewijs in vijf lessen. Palacios-Huerta heeft een reusachtige databank opgesteld met meer dan 9000 penalty's die van 1995 tot 2012 getrapt werden in de grote Europese competities. En die strafschoppen verraden meer dan men zou denken. Ze tonen bijvoorbeeld aan waarom de economische beleidsmakers graag teruggrijpen naar immobilisme of 'uitgemolken' beslissingen. Op het moment van het schot duikt de keeper 98 keer op 100 naar links of rechts. De strafschopnemer kan dus maar beter gewoon in het midden van het doel schieten. Penalty's die op die manier genomen worden, zijn in negen van de tien gevallen raak. Maar dan komt een irrationeel element op de proppen: de druk van het stadion en de teamgenoten. Als een speler naar het midden schiet en zijn schot wordt toch gekeerd, dan dreigt zijn carrière definitief bezoedeld te worden. In hun boek Freakonomics geven Steven Levitt et Stephen Dubner het voorbeeld van de penalty's om uit te leggen waarom we, als we een beslissing moeten nemen, veelal kiezen voor de standaardoptie, eerder dan voor de meest efficiënte keuze. "We verkiezen het traditionele traject richting kruising, gewoon uit egoïstische overwegingen: onze reputatie beschermen", leggen de auteurs uit, ook al is de innoverende optie efficiënter. "In periodes van crisis en malaise grijpen politici dus naar bezuinigingen, vooral om aan hun kiezers te tonen dat ze het land leiden als een goede huisvader. Ook al heeft het IMF aangetoond dat zo'n beleid op een mislukking uitloopt en dat voorrang moet gegeven worden aan het conjunctuurherstel. Men is dus meer bezorgd om het imago dan om het resultaat", zegt Pierre Rondeau, professor aan de universiteit van Parijs en de Sport Management School. Dit alles betekent allerminst dat voetballers gewoontedieren zijn en niet nadenken. Zij passen integendeel de principes van de speltheorie, de wiskundige regels die het gedrag van een speler trachten te optimaliseren, het beste toe. Op het internet vindt u beelden van de beruchte penaltyreeks in de finale van de Champions League 2008 tussen Chelsea en Manchester. Het is de beurt aan Nicolas Anelka (Chelsea) om de confrontatie aan te gaan met doelman Edwin van der Sar (Manchester). De spelers van Chelsea hebben zich voorbereid, ze weten dat Van der Sar de neiging heeft naar rechts te duiken als er een rechtsvoetige voor hem staat. En dus hebben ze tot dan hun penalty's naar de andere kant geschoten. Met succes. En dan komt Anelka. Vanop zijn lijn wijst Van der Sar naar zijn linkerzijde. Hij lijkt Anelka te zeggen: ik weet dat je naar die kant zult schieten! In hun boek Soccernomics hebben Simon Kuper en Stefan Szymanski dat moment uitvoerig becommentarieerd. De twee vatten het dilemma samen waarmee Anelka geconfronteerd wordt. "Anelka wist dat Van der Sar wist dat Anelka wist dat Van der Sar de neiging had om naar rechts te duiken als hij voor een rechtsvoetige stond. En wat deed Anelka?"... Hij schoot links van Van der Sar (rechts van de doelman, dus zijn goede zijde) en die stopte de strafschop. Zonder het te weten, paste Van der Sar de minimaxtheorie van John von Neumann toe. Hij trachtte het risico te minimaliseren door zijn tegenstrever te laten doen wat hij kon voorzien." Zullke strategieën treffen we ook aan op de financiële markten. Ze worden gebruikt door de 'flitshandelaars', die de markt met miljoenen verkoop- of kooporders bombarderen die onmiddellijk weer ingetrokken worden, maar de koers beïnvloeden in de richting die ze willen. Een beetje zoals Van der Sars vinger. Voetbalploegen streven naar sportieve prestaties, landen streven naar groei en rijkdom... De doelstellingen van een club lijken sterk op de economische doelstellingen van een land. Om die te bereiken, trachten ze allebei de factoren die aan de basis liggen van prestaties of groei te beïnvloeden. En al kunnen ze niet alles beheersen (verrassingen horen bij het voetbal), toch is een deel van het succes 'endogeen'. Het valt te verklaren door het feit dat de actoren de factoren die ze beheersen verbeterd hebben. Landen proberen de concurrentiekracht van hun ondernemingen op te peppen en investeringen aan te trekken door geld te steken in infrastructuur en opleiding, en door de loonkosten en fiscaliteit aantrekkelijk te maken. Voetbalclubs investeren in spelers, infrastructuur en opleiding. En de trainers sleutelen aan hun tactiek en hun spelerskern om het aantal tegendoelpunten te minimaliseren en het aantal goals te maximaliseren. Het volstaat niet altijd om de aanwending van kapitaal en arbeid te maximaliseren om het verschil te maken, in de economie noch in het voetbal. Daarvoor is innovatie nodig, wist de Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter: stromend water, elektriciteit, de verbrandingsmotor, de transistor, de robots enzovoort zijn allemaal uitvindingen die het economisch leven ingrijpend gewijzigd hebben. In het voetbal zijn ook heel wat voorbeelden te vinden van 'disruptieve' innovatie. Lev Jasjin, de Russische doelman die in de jaren vijftig en zestig als de beste ter wereld gold, was bijvoorbeeld de eerste om een bal die hij niet kon grijpen weg te boksen. Hij bedacht ook de snelle uittrap, die de tegenpartij destabiliseerde omdat ze geen tijd kreeg om opnieuw positie te kiezen. Ook het totaalvoetbal van het Ajax van Cruijff of het tiki-taka van Barcelona zijn voorbeelden van succesvolle tactische innovaties. Rondeau vertelt dat Manchester City aan het einde van de jaren 2000 een statistische afdeling oprichtte. Die merkte op dat 'indraaiende' hoekschoppen meer kans maakten om doeltreffend te zijn. In 2011 werd Manchester City kampioen van Engeland, nadat het 15 goals gescoord had op indraaiende corners. Manchester had econometrisch onderzoek ingevoerd in het voetbal. Wilt u begrijpen hoe de systemen van sociale zekerheid in elkaar zitten? Kijk dan naar de manier waarop de voetbalbonden de tv-rechten van het voetbal verdelen onder de clubs. Die rechten vertegenwoordigen het grootse deel van de inkomsten van de eersteklassers. De verdeling verschilt sterk van land tot land. Sommige gaan voor het principe van gelijkheid, andere voor billijkheid, nog andere voor vrijheid. Gelijkheid, dat is de Engelse school: alle clubs krijgen grosso modo een even groot stuk van de taart. "De eerste in de Premier League krijgt slechts 40 procent meer dan de laatste", legt Rondeau uit. Billijkheid, dat is de Duitse school: de verdeling gebeurt naargelang van de sportieve prestaties. In Duitsland krijgt de eerste in de rangschikking vier keer meer dan de laatste. De derde school staat vrijheid voor: iedere club onderhandelt individueel over zijn rechten. Dat was tot voor kort het Spaanse model. "Real Madrid en Barcelona eigenden zich daardoor de helft van het totaal toe", zegt Rondeau. Die verschillen hebben gevolgen. In Spanje gaan sinds de jaren negentig bijna negen van de tien kampioenstitels naar Real of Barcelona. Omgekeerd geeft gelijkheid iedereen een kans. "Leicester kon mede daardoor kampioen van Engeland worden", noteert Rondeau. Ook het Duitse systeem van billijkheid heeft voordelen omdat het elke club ertoe aanzet haar prestaties te verbeteren. Die discussie over gelijkheid, billijkheid en vrijheid vinden we ook terug in de sociale modellen. Het gelijkheidsmodel, dat in Scandinavië toegepast wordt, biedt iedereen zekerheid, maar is duur. Het liberale model, dat in de Verenigde Staten geldt, houdt rekening met de individuele vrijheid, maar schept aanzienlijke ongelijkheid. Het billijkheidsmodel bevindt zich tussen de twee, met een verplichte verzekering die betaald wordt door de maatschappij, en een variabel deel dat betaald wordt volgens ieders middelen. Eind vorige zomer schokte dit nieuwtje de voetbalmarkt: Kevin De Bruyne, een van onze nationale sterren, verliet Wolfsburg voor Manchester City. Bedrag van de transfer: 80 miljoen euro en een jaarsalaris van 16 miljoen euro voor de Belgische speler. Dat is nog altijd twee keer minder dan Messi of Ronaldo. Hoe vallen zulke hoge lonen te verantwoorden? Een deel van de verklaring is de toegevoegde waarde. De Bruyne is een sleutelspeler. Hij zorgt voor assists en doelpunten. "Als een werknemer productief is, dan is het normaal dat zijn werkgever zijn inspanningen beloont", luidt het commentaar van Rondeau. Een deel van het loon kan echter niet verklaard worden door de extra resultaten van het team. Sommige voetbaleconomen zeggen dan ook dat de helft van het loon moet worden toegeschreven aan het aura van de speler, met name zijn mediatieke waarde, zijn selecties voor de nationale ploeg of zijn nationaliteit (geboren zijn in voetballand Brazilië betaalt beter). Bij gelijke waarde bestaan er dus toch ongelijkheden. En die ongelijkheden worden groter: een bekende speler verschijnt vaker op tv, wat zijn mediatieke waarde verhoogt én zijn kans om internationaal opgemerkt te worden, mee te doen in internationale competities en... een hoger loon te bedingen. De voorbeelden van Kevin De Bruyne of Eden Hazard helpen ook om de segmentatie van de arbeidsmarkt te begrijpen. In de economie bestaan er verschillende arbeidsmarkten: er is de primaire markt (met stabiele en goed betaalde jobs) en de secundaire markt (met wankele betrekkingen, deeltijds werken, ...). In de primaire markt is er bovendien een interne markt, waarin de functies op een weinig concurrentiële manier toegewezen worden en de interne regels van de onderneming gelden, en een externe markt met grote concurrentie. De voetbalwereld is ook zo gesegmenteerd. Er bestaat een markt van de supersterren en een markt van de standaardspelers. Op de eerste is het aanbod kleiner dan de vraag, en schieten de lonen dan ook omhoog. Op de standaardmarkt gebeurt net het omgekeerde: daar zijn te veel spelers die aan de bak willen komen. Daar bestaan dezelfde loonverschillen als in de algemene economie. In de Italiaanse competitie vertegenwoordigen de 10 procent minst betaalde spelers amper 3 procent van de loonmassa die door de clubs uitgekeerd wordt, terwijl de acht best betaalde spelers (of ongeveer 1,6 procent) 10 procent van het totaal inpalmen. Dat is een verschil dat erg dicht bij de inkomenskloof in de geïndustrialiseerde landen ligt. Pierre-Henri ThomasIn crisissituaties kiezen voetballers voor de standaardoptie, eerder dan voor de meest efficiënte. Net zoals politici dat doen. De discussie over gelijkheid, billijkheid en vrijheid vinden we ook terug in de sociale modellen.