In 2007 zullen er in België, volgens de jongste prognoses van de Nationale Bank, op 100 mensen in de arbeidsleeftijd gemiddeld 61,2 aan het werk zijn, ongeveer evenveel als in 2005, het laatste jaar waarvoor internationale vergelijkingen mogelijk zijn. De jobachterstand ten opzichte van de EU-15, waar de werkgelegenheidsgraad 65 % bedroeg in 2005, blijft dus onverminderd groot, hoewel het aantal banen in de voorbije vier jaar met 113.000 is gegroeid en er in 2007 nog zo'n 45.000 zouden bijkomen.
...

In 2007 zullen er in België, volgens de jongste prognoses van de Nationale Bank, op 100 mensen in de arbeidsleeftijd gemiddeld 61,2 aan het werk zijn, ongeveer evenveel als in 2005, het laatste jaar waarvoor internationale vergelijkingen mogelijk zijn. De jobachterstand ten opzichte van de EU-15, waar de werkgelegenheidsgraad 65 % bedroeg in 2005, blijft dus onverminderd groot, hoewel het aantal banen in de voorbije vier jaar met 113.000 is gegroeid en er in 2007 nog zo'n 45.000 zouden bijkomen. Het moet verbazing blijven wekken dat ons land op het gebied van werkgelegenheid zo'n achterstand heeft opgelopen op landen die sociaaleconomisch op een vergelijkbare wijze functioneren. Niet enkel verbazing trouwens, maar ook en vooral grote bezorgdheid. Want met zo'n zwakke werkgelegenheidsgraad gaan we grote problemen tegemoet. In 2007 en tot 2010 nog zal onze arbeidsmarkt worden verruimd door een toename van de bevolking in de arbeidsleeftijd. Daarna bereiken de talrijke naoorlogse generaties de pensioenleeftijd en begint dat potentiële arbeidsaanbod zienderogen te slinken, vooral in Vlaanderen. Als we er tegen die tijd niet in slagen om méér mensen aan de arbeidsmarkt te laten participeren, zullen de signalen van arbeidsschaarste, die nu al opduiken in periodes van goede conjunctuur in sommige regio's of voor sommige kwalificaties, veel algemener worden. En zal de economische activiteit zélf eronder gaan lijden: het ontbrekende arbeidsaanbod kan enkel leiden tot loonspanningen en concurrentieverlies of delokalisatie van activiteiten. Willen we dat de groei van de economie gelijke tred blijft houden met degene waaraan wij de jongste decennia gewend waren (gemiddeld zo'n 2 % per jaar), dan moet de werkgelegenheidsgraad tegen 2030 met ongeveer 10 procentpunten toenemen. Tegen die achtergrond is het cruciaal dat het arbeidsaanbod in ons land wordt versterkt. Geen misverstand: natuurlijk is en blijft het belangrijk dat we onze loonkosten beheersen om de arbeidsvraag te onderhouden en om het concurrentievermogen van onze economie te vrijwaren. Die beheersing van de loonkosten kan op twee manieren: door de lonen zelf te matigen (een verantwoordelijkheid van de sociale partners) en/of door de lasten op werk te verminderen. Dat laatste heeft, hoe wenselijk ook, slechts zin als het, ten eerste, gekoppeld wordt aan loonmatiging (om te vermijden dat lastenverlichting zou worden gebruikt om grotere loonsverhogingen mogelijk te maken). Ten tweede: als een en ander kan gebeuren met respect voor de begrotingsdoelstellingen. Ten derde: als het wordt begeleid door een sterker arbeidsaanbod, anders is het een slag in het water. Wat is nodig voor zo'n ruimer en beter arbeidsaanbod? Een betere integratie van werkzoekenden in de arbeidsmarkt: het belang van de sinds 2004 ingevoerde activerende aanpak kan in dat opzicht moeilijk worden overschat, en de voor 2007 voorziene evaluatie kan helpen ze nog te verbeteren. Verder: meer en betere opleiding. Ons onderwijs scoort internationaal goed, althans in Vlaanderen, maar het blijft een uitdaging om meer jongeren de voor de arbeidsmarkt belangrijke basisvaardigheden bij te brengen. En we moeten zeker nog een tandje bijsteken op het vlak van levenslang leren. Vooral laaggeschoolden blijven moeilijk integreerbaar, en hebben ook de meeste moeilijkheden om zich in te schakelen in de noodzakelijke mobiliteit tussen functies en regio's. De enorme geografische mismatch blijft in België een kwalijk zeer. We moeten ook naar meer participatie van groepen die ondervertegenwoordigd zijn op onze arbeidsmarkt. De grootste ruimte voor verbetering is er nog altijd bij de allochtonen en de ouderen. Vandaar het belang van een actief diversiteitsbeleid, vandaar ook dat prikkels voor vroege uittredingen moeten worden verminderd en prikkels om langer te werken versterkt, in de lijn van wat al is gebeurd met de pensioenhervormingen en het Generatiepact. Toegegeven, onze arbeidsmarkt verder diepgaand moderniseren is niet makkelijk. Meer of langer mensen mobiliseren wordt soms slecht begrepen op een moment dat de arbeidsreserve nog toeneemt, sommige jobs verdwijnen en de vergrijzing zich nog niet in alle scherpte doet voelen. Er is ook geen duidelijke en directe Europese sanctie voor onvoldoende inspanningen, zoals bij de toetreding tot de euro. Toch is zo'n modernisering nodig én nuttig, want precies daaruit kan onze economie de grootste winst halen. Om (het succes van) de vergrijzing goed te beheren, is zeker een middellangetermijnstrategie nodig met nog andere ankers, zoals een geloofwaardig budgettair traject dat de betaalbaarheid van de vergrijzingskosten garandeert, en een productiviteitsontwikkeling die gesteund wordt door innovatie en onderzoek. Maar onze arbeidsmarkt op 21ste-eeuwse leest schoeien is zonder meer dé grootste uitdaging. De auteur is ondervoorzitter van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid en directeur van de Nationale Bank van België.Jan Smets