In de Openbare Bibliotheek van Antwerpen staat nog één roman van Marnix Gijsen (1899-1984) in het rek: Klaaglied om Agnes. Dat was lang verplichte lectuur voor veel Vlaamse scholieren. Alle andere titels zijn in de geboortestad van de schrijver verbannen naar de achtergrondcollectie. Niemand leest ze nog. Gijsen, pseudoniem van Jan-Albert Goris, was na de Tweede Wereldoorlog nochtans een van de meest bejubelde Vlaamse schrijvers. Hij werd in...

In de Openbare Bibliotheek van Antwerpen staat nog één roman van Marnix Gijsen (1899-1984) in het rek: Klaaglied om Agnes. Dat was lang verplichte lectuur voor veel Vlaamse scholieren. Alle andere titels zijn in de geboortestad van de schrijver verbannen naar de achtergrondcollectie. Niemand leest ze nog. Gijsen, pseudoniem van Jan-Albert Goris, was na de Tweede Wereldoorlog nochtans een van de meest bejubelde Vlaamse schrijvers. Hij werd in 1974 bekroond met de Prijs der Nederlandse Letteren, de hoogste onderscheiding die een schrijver in de Lage Landen kan krijgen. Maar in die periode kreeg hij ook aanvallen te verwerken van collega-auteurs als Jeroen Brouwers. Zijn reputatie verschrompelde. Dat heeft Bert Govaerts, oud-programmamaker van de VRT, niet belet een sterk onderbouwde biografie van Goris te schrijven. Een meer dan relevante oefening, want diens leven is een interessante tocht door het Vlaanderen dat in de twintigste eeuw sterk is geëvolueerd. Goris was in zijn jonge jaren overtuigd katholiek en een radicale flamingant. In de loop der jaren werd hij gematigder, onder meer om carrière te maken als kabinetschef van de Antwerpse burgemeester Frans Van Cauwelaert. Hij schopte het in de jaren dertig tot kabinetschef van ministers in Brussel en werd topambtenaar. In 1939 was hij in New York als adjunct-commissaris-generaal van het Belgisch paviljoen op de Wereldtentoonstelling. Hij verbleef er tijdens de Tweede Wereldoorlog en werd via publicaties en radioprogramma's een propagandist voor de Belgische en geallieerde zaak. Na de oorlog verbleef hij in de Verenigde Staten en schopte hij het tot diplomaat. Van 1946 tot 1964 maakte hij een populair radioprogramma, De stem uit Amerika. Als Marnix Gijsen keerde hij zich in 1947 met Het boek van Joachim van Babylon af van de christelijke seksuele moraal. In het Vlaanderen van die tijd was dat niet vanzelfsprekend. Gijsen brak met zijn vroegere milieu, maar uit zijn werk blijkt een minder grote frustratie ten opzichte van het katholieke Vlaanderen dan bij pakweg Hugo Claus. Vlaamsgezind bleef hij tot het einde van zijn leven. Als inwoner van Elsene kwam hij op voor de rechten van de Vlamingen in Brussel en tegen de verfransing van de rand.