"Veel te laat", reageert de begrotingsspecialist Herman Matthijs (VUB) op het voorstel van minister van Landsverdediging Steven Vandeput (N-VA) om het defensiebudget tegen 2030 op te trekken van 1 naar 1,6 procent van het bruto binnenlands product (bbp). "Verleden jaar nog ondertekende premier Elio Di Rupo de Verklaring van Wales om 2 procent van het bbp aan defensie te besteden tegen 2024. De voorbije vijf jaar zijn de defensie-uitgaven gedaald met 8 procent, terwijl Justitie en Binnenlandse Zaken 8 procent meer kregen. Als ons land dat beleid niet bijstuurt, verliezen we onze geloofwaardigheid binnen de NAVO."

Professor Matthijs vreest ook dat het samenwerkingsverband met Nederland over de marine op losse schroeven komt. "Nederland heeft zijn defensiebudget onlangs verhoogd tot 8 miljard euro. België telt twee derde van het aantal inwoners van Nederland en het geeft slechts 2,4 miljard uit. Terecht stelt de Nederlandse militaire top dat de coöperatie van twee kanten moet komen. Het alternatief is dat het Belgische leger een divisie van het Franse wordt."

Pijnpunt is bereikt

70 procent van onze militaire uitgaven komt terecht bij het personeel. Slechts 8 procent gaat naar investeringen. Matthijs: "In Nederland is dat 15 procent. De voorbije twintig jaar hebben de regeringen de hete aardappel van Defensie voor zich uitgeschoven. Het pijnpunt van het tekort aan investeringen is bereikt. Als dat niet verandert, kunnen we maar beter een kruis maken over het Belgische leger. Europese lidstaten zullen zich dan afvragen of het wel nodig is of een landje als België nog langer de Europese instellingen huisvest. Dat leidt gegarandeerd tot het vertrek van het NAVO-hoofdkwartier naar het buitenland."

Herman Matthijs schaart zich achter het pleidooi van minister Vandeput om 100 procent van het geld voor de aankoop van de vervanger van F-16's terug te laten vloeien naar onze industrie. "Het verleden heeft bewezen dat onze ondernemingen baat hebben bij compensaties."

Maar die zijn in strijd met de Europese Defensierichtlijn van 2012, die een open markt vereist voor militaire uitgaven. "Die richtlijn schafte het begrip economische compensaties af", zegt Roland Teheux van de sectorvereniging Belgian Security & Defence Industry (BSDI), die behoort tot de Agoria-koepel. "Sindsdien spreken we van 'industriële participatie'. We hopen dat het volledige bedrag van grote legeraankopen in de vorm van contracten terugstroomt naar onze leden."

De defensie- en veiligheidsactiviteiten van de 34 BSDI-leden zijn goed voor een omzet van 1,5 miljard euro en 15.000 banen. Bij de leden behoren FN Herstal (kleinkaliberwapens), Mecar (grote kalibers en granaten), CMI Defence (wapensystemen) en Esterline (schermen voor vliegtuigen, de vroegere tak van Barco). Maar niet alle leden zijn wapenbedrijven. Dat is het geval voor de expediteur Red Star Forwarding & Logistics in Antwerpen en de wisselstukkenfabrikant Sabiex in Eigenbrakel.

'Essentieel veiligheidsbelang'

De richtlijn laat wel uitzonderingen toe op de verplichte aanbestedingsprocedure als de compensaties een gevolg zijn van de "essentiële veiligheidsbelangen van de lidstaat", verwijzend naar artikel 346 van het Verdrag van Lissabon. "België heeft nog geen wettelijk kader dat een uitzondering op het principe van de veralgemeende openbare aanbesteding mogelijk maakt", zegt Teheux. "Alle andere lidstaten hebben dat wel gedaan. België is het enige land in de Europese Unie waar economische compensaties in legercontracten verboden zijn."

"Heel Europa roept de uitzondering van de Defensierichtlijn in", weet Kris Van der Plas, een lobbyist bij de Flemish Aerospace Group. "Sommigen doen dat in beperkte mate, en landen als Frankrijk doen dat wellicht voor alle legeropdrachten. De vervanging van de F-16's is een operatie van 3 à 5 miljard euro. Bij de aankoop van die toestellen, veertig jaar geleden, vloeide dat bedrag integraal terug naar de Belgische ondernemingen. België gaat de uitgave van een paar miljard euro's voor nieuwe vliegtuigen toch niet integraal doorstorten naar een buitenlandse producent, en zo omzet, banen en belastingen mislopen?"

Ook Van der Plas stelt dat België een industriële defensiestrategie kan definiëren als een onderdeel van zijn landsverdediging. Dan past de industriële participatie in zijn essentiële veiligheidsbelang. "Ik denk dat het mogelijk is minstens de helft van de uitgave bij de vervanging van de F-16 te doen terugvloeien", zegt hij. "Met enige creativiteit kan de Belgische overheid de compensatie opkrikken tot 100 procent. Tijdens de onderhandelingen kan het ministerie van Defensie laten blijken dat een compensatie via commerciële contracten ten zeerste wordt geapprecieerd. Maar het is de vraag hoe je dat in juridisch afdwingbare clausules vertaalt."

Toegevoegde waarde

Jef Vuchelen, hoogleraar economie aan de VUB, aarzelt of compensaties economisch nut hebben. "Ze jagen de prijs van de militaire contracten omhoog", redeneert hij. "Als dat innovatie creëert, kun je ze overwegen. Maar het kan niet de bedoeling zijn dat de defensiebedrijven een soort van beschutte werkplaats voor overheidsbanen worden. Er is grondig onderzoek naar de toegevoegde waarde van compensaties nodig."

Een voorbeeld is Asco Industries. De producent van luchtvaartonderdelen rijfde in het kader van het F-16-programma miljoenen euro's aan bestellingen binnen. Voorzitter Trudo Motmans: "Onze onderneming verwierf zo de technische vaardigheden om ook deel te nemen aan de Airbus-programma's. Die boden op hun beurt de mogelijkheid om te bouwen voor andere constructeurs zoals Boeing, Bombardier, Embraer, Gulfstream en Dassault. Zonder de F-16's zou er geen Belgische luchtvaartindustrie zijn."

Hans Brockmans

"Het kan niet de bedoeling zijn dat de defensiebedrijven een soort van beschutte werkplaats voor overheidsbanen worden"- Jef Vuchelen