Ik ben een gevoelsmens. Ik voel heel goed aan wat ik nodig heb en probeer daar ook naar te luisteren. Niet dat dat altijd onmiddellijk kan. In mijn functie zijn er momenten dat je moet doorbijten. Momenten waarop je weet dat je te zwaar in je reserves gaat, maar dat er even geen andere optie is.
...

Ik ben een gevoelsmens. Ik voel heel goed aan wat ik nodig heb en probeer daar ook naar te luisteren. Niet dat dat altijd onmiddellijk kan. In mijn functie zijn er momenten dat je moet doorbijten. Momenten waarop je weet dat je te zwaar in je reserves gaat, maar dat er even geen andere optie is. "Het afgelopen najaar was zo'n periode. Dan kon ik even niet anders dan in een soort van survivalmodus gaan. In die modus neem ik geen extra zaken aan, ga ik heel bewust met mijn tijd om en benut ik ten volle elk moment dat ik even kan ontspannen. Ik plan dan ook strikt hoelang zo'n periode mag duren. Toen ik het afgelopen eindejaar tien dagen thuis was, was het bijvoorbeeld echt nodig in recuperatiemodus te gaan. Mijn lijf dicteerde het. "Mijn lijf en mijn hoofd hebben geen eindeloze reserves. Dat besef ik maar al te goed. Nog voor het woord burn-out bestond, ben ik eens in het rood gegaan. Ik deed toen ook van die onzinnige dingen zoals bevallen van een tweeling en tien dagen later opnieuw aan het werk gaan. Er zijn weinig zaken waar ik spijt van heb, maar dat zou ik nooit meer opnieuw doen. Ik heb uiteindelijk een nierontsteking overgehouden aan die burn-out. Sindsdien is mijn rechternier mijn alarmbel. Begint die te steken, dan weet ik dat ik gas moet terugnemen. "Al probeer ik dat moment wel voor te zijn. Tijdens het weekend bereid ik bijvoorbeeld de maaltijden voor de week die komt. Dat klinkt heel georganiseerd. Wat raar is, want eigenlijk ben ik dat niet. Ik ben het misschien wel een beetje geworden, uit noodzaak. Mensen die me al langer kennen, vinden misschien dat dat niet bij mij past, maar op die manier creëer ik meer rust. Het is de reden waarom ik ondertussen veel meer orde in mijn leven heb, hoewel ik van nature vrij chaotisch ben." "Alleen in mijn tuin heerst er nooit volledig orde. Als je weet dat die tuin anderhalve hectare groot is, kun je je dat wel indenken. Het is mijn oefening in loslaten. Mijn baan laat ik nooit los, want zoals veel mensen in mijn functie werk ik elk weekend zonder dat ik dat erg vind. In de tuin moet ik het idee dat ik alles kan opvolgen toch laten schieten en leren het onkruid graag te zien. Ik moet mezelf er soms wel aan herinneren, want een mens zou stress krijgen van al het werk dat je ziet als je door het groen wandelt. Toch lukt het om het van me af te zetten. "In het weekend werk ik wel in de tuin. Dat is een serieuze fysieke inspanning. Je wilt me 's avonds niet uit de zetel zien kruipen ( lacht). Maar mentaal is het ontspanning. Door in de aarde bezig te zijn kan ik mijn gedachten laten waaien. Ze komen nog wel op, maar vertrekken terug omdat ik er niet op inga. Op die manier verwerk ik mijn week en maak ik mijn hoofd leeg." "Piekeren heb je voor een deel zelf in de hand. Je moet het af en toe gewoon van je afzetten en tegen jezelf zeggen: je doet wat je kunt en klaar. Dat is een kwestie van overleven. Anders vreet dat doormalen enorm veel energie. "Eigenlijk is piekeren vooral een uiting van de angst dat er iets fout kan gaan. Die angst probeer ik weg te nemen bij collega's. Daardoor valt er dikwijls al een hele last van mensen hun schouders en kunnen ze beter recupereren. Ik zie het liever zo dan dat ze meer dan vijftig uur per week blijven werken. Dat is toch zinloos. Je maakt jezelf iets wijs als je denkt dat je al die uren nog productief gebruikt. Vijftien uur per dag werken, dat vind ik dus bullshit. Daar is nog nooit iemand beter van geworden."