eXtra informatie op www.trends.beDe volledige antwoorden van de vijf commissieleden vindt u op de Trends-website.
...

eXtra informatie op www.trends.beDe volledige antwoorden van de vijf commissieleden vindt u op de Trends-website. Of het nu over België of Vlaanderen gaat: alleen onze grijze cellen kunnen ervoor zorgen dat we competitief blijven. De kenniseconomie, weet-u-wel. Dat geldt ook voor de Europese Unie. In Lissabon hamerden de Europese regeringsleiders er al op om van Europa tegen 2010 de meest competitieve regio te maken. In die Lissabon-doelstellingen staat ook het streven om de werkgelegenheidsgraad op te trekken tot ten minste 70 %. Het rapport over de Europese groeistrategie dat de Nederlandse ex-premier Wim Kok begin november voorstelde aan de Europese Commissie en de regeringsleiders, plaatst een aantal grote vraagtekens bij de haalbaarheid van de Lissabon-doelstellingen. Nochtans is een duidelijke groeistrategie een noodzaak. De vergrijzing moet worden opgevangen en er moeten maatregelen genomen om de daling van de productiviteitsgroei tegen te gaan. Die daling is het gevolg van een van de meest onderschatte demografische evoluties: een afname van de beroepsbevolking. Over tien jaar begint ook de Vlaamse beroepsbevolking te dalen. Nu zijn er nog 4 miljoen Vlamingen die mogelijk aan de slag kunnen. Vooral vanaf 2015 begint de krimp. Tegen 2050 bestaat de Vlaamse beroepsbevolking nog uit 3,5 miljoen individuen. In een vorige aflevering van onze reeks over de toekomst van de welvaartsstaat werd dieper ingegaan op dit probleem ( Trends, 7 oktober 2004). De gevolgen op de economische groei zullen ronduit dramatisch zijn. De reële inkomensgroei per inwoner zou vertragen van ongeveer 2 % nu tot goed 1 % tegen 2030. Logisch, aangezien er minder mensen ter beschikking zullen zijn om voor de opbrengsten te zorgen. Alleen een hogere productiviteit kan Vlaanderen redden. En dat kan pas indien er werk wordt gemaakt van een efficiënte kenniseconomie. Er moet zeker genoeg geïnvesteerd worden in technologische vooruitgang. Op dat vlak heeft Vlaanderen stappen in de goede richting gezet, maar er valt nog een lange weg af te leggen. Het Vlaamse onderzoek levert immers opvallend weinig producten op (zie kader). Een andere uiterst belangrijke basis voor een hogere productiviteit is een goed functionerend onderwijssysteem. Beter opgeleide werknemers zijn productiever. De recentste cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling ( Oeso) zijn duidelijk: gemiddeld één jaar onderwijs extra zorgt voor een stijging van de output per capita met 3 tot 6 %. In de Oeso-landen lopen de leerlingen anno 2004 gemiddeld 11,8 jaar school. België valt net onder dat gemiddelde. Dat betekent echter niet dat België de leerplicht nog moet verhogen. Wel dat het onderwijs op een efficiëntere manier moet functioneren om het aantal vroegtijdige schoolverlaters te doen dalen. Daarnaast moet er werk worden gemaakt van levenslang leren, van het blijven leren tijdens de loopbaan. In 2003 hebben de Europese ministers van Onderwijs vijf Europese richtpunten voor 2010 vooropgesteld. Zo zou de EU tegen 2010 niet meer dan 10 % vroegtijdige schoolverlaters mogen tellen. De uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) moeten worden verhoogd tot 3 % van het bruto binnenlands product (BBP). En 85 % van de 22-jarigen moet op zijn minst een diploma hoger secundair onderwijs halen. Het percentage 15-jarigen dat slecht leest (momenteel 20 %), moet dalen. En ten minste 12,5 % van de volwassen beroepsbevolking moet deelnemen aan levenslang leren. Hoe scoren België en Vlaanderen? En welke maatregelen zijn nodig om het onderwijs beter en efficiënter te maken? Volgens de Oeso scoort België dicht bij de gemiddelde onderwijskwaliteit in Europa. Over het algemeen kan Vlaanderen betere cijfers voorleggen dan België. Zo halen we hoge cijfers voor het opleidingsniveau: 86,9 % van de 22-jarigen behaalt op zijn minst een diploma hoger secundair onderwijs. Alleen Finland doet beter. Een belangrijker criterium is het aantal vroegtijdige schoolverlaters. Die categorie vormt een tijdbom onder de arbeidsmarkt. Juist op dat vlak scoort België bedroevend laag. Kijk maar naar de lage werkgelegenheidsgraad van vrouwen die geen hoger middelbaar onderwijs hebben gevolgd: nog geen 35 % van hen is aan de slag. Alleen Italië presteert slechter in de vijftien 'oude' lidstaten van de Europese Unie (de EU-15). Het aantal vroegtijdige schoolverlaters moet dus dalen. Tegen 2010 zou dat aantal op Europees vlak al moeten krimpen tot 10 %. Dat percentage heeft betrekking op het aandeel van de 18- tot 24-jarigen dat ten hoogste lager secundair onderwijs succesvol heeft beëindigd en dat zich niet meer in onderwijs of vorming bevindt. Die groep is ook vrijwel verloren om te worden ingeschakeld in levenslang leren. Voor 2002 (de recentste cijfers) telt Vlaanderen een percentage vroegtijdige schoolverlaters van 10,7 %. Dat is het vijfde beste resultaat uit de EU-15. Het Belgische percentage is 12,4 %, dat van de EU 18,8 %. Er moet ook in Vlaanderen zeker nog aan gesleuteld worden. Een oplossing schuilt mogelijk in de volgende voorgestelde maatregel. Onderwijseconoom Ides Nicaise van het Hoger Instituut voor de Arbeid ( Hiva) plaatst een aantal kanttekeningen bij de Vlaamse cijfers: "We hebben in internationaal perspectief een vrij hoog geschoolde bevolking, maar die scholing is ongelijk verdeeld." Uit onderzoek dat Nicaise de voorbije jaren heeft verricht, blijkt dat er om allerlei redenen sociale ongelijkheid blijft bestaan in onderwijsmobiliteit. Jongeren met een moeder die geen diploma van lager secundair onderwijs (LSO) heeft behaald, hebben 26,4 % kans om zelf ten hoogste een LSO-diploma te halen. Die kans is even groot als hun kans om een hoger onderwijsdiploma in de wacht te slepen. Heeft de moeder een diploma hoger onderwijs, dan heeft de zoon of dochter slechts 1,6 % kans om niet verder te geraken dan het LSO-niveau. Die zoon of dochter zal in vier op de vijf gevallen afstuderen in het hoger onderwijs. Ides Nicaise: "Er moet dus werk gemaakt worden van een betere ondersteuning en begeleiding. Vergeet niet dat we een leerplicht hebben tot achttien jaar. Jongeren modderen vaak wat aan op de schoolbanken en verlaten die met lage kwalificaties, waardoor ze niet kunnen integreren op de arbeidsmarkt. Ik pleit dan ook voor de vervanging van de leerplicht door een kwalificatieplicht."Hiva-onderzoeker Ides Nicaise richt zijn pijlen ook op het watervalsysteem: nogal wat jongeren vatten het secundair onderwijs zo hoog mogelijk aan, maar presteren in de loop van de jaren steeds slechter, zodat ze uiteindelijk in een onderwijsvorm (technisch of beroeps) terechtkomen. Daar hoorden ze misschien al vroeger thuis, maar ze belanden er nu totaal gedemotiveerd. Doordat de leerlingen zo hoog mogelijk starten en dan afzakken, worden technisch en beroepsonderwijs maatschappelijk ondergewaardeerd. En dat terwijl bedrijven smeken om technisch geschoold personeel. Nicaise vindt het dan ook een goede zaak dat Vlaams minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke (SP. A) werk wil maken van een afbouw van de beschotten tussen de onderwijsniveaus. Zo wil hij een betere afstemming krijgen tussen de school en het bedrijfsleven. De minister denkt aan de opbouw van leertrajecten, waarbij leerlingen individueel worden begeleid. "Het wegwerken van die beschotten zal vele voordelen opleveren," meent Nicaise. "Ik pleit voor een latere en dus rijpere studiekeuze, waardoor de mobiliteit tussen de onderwijsvormen wordt bevorderd." Dan zullen ook meer 'sterke' jongeren een positieve keuze maken voor technisch of beroepsonderwijs, waardoor het gemiddelde peil van die onderwijsvormen wordt opgekrikt. De afbouw van de beschottenregeling is maar één aspect van Vandenbrouckes strategie om het onderwijs beter af te stemmen op het bedrijfsleven. De Vlaamse minister van Onderwijs wil de komende maanden ook werk maken van partnerschappen tussen scholen en bedrijven. Hij denkt onder meer aan het promoten van deeltijds leren en het uitwisselen van leraren of opleiders tussen onderwijs en bedrijfsleven. De Europese ministers van Onderwijs willen ook dat ten minste 12,5 % van de volwassen beroepsbevolking tegen 2010 deelneemt aan levenslang leren. Vandaag bedraagt het Europese gemiddelde 8,5 %. In de nieuwe lidstaten is dat slechts 5 %. België scoort niet veel beter: amper 6,5 % van de 25- tot 64-jarigen volgt een of andere vorming of opleiding. Ook Vlaanderen presteert niet goed (6,7 %, zie tabel). Ides Nicaise: "Nochtans zijn die opleiding en vorming cruciaal om mensen op langere termijn in het arbeidsproces te houden, waarbij ze tijdens hun carrière verschillende jobs uitoefenen."Positief is wel dat er - zeker in Vlaanderen - een inhaalbeweging aan de gang is. Niet alleen wordt er werk gemaakt van een aanbodgericht beleid met de ontwikkeling van allerlei cursussen en opleidingen. Ook de vraag naar opleidingen wordt stilaan gestimuleerd en ondersteund. Een goed voorbeeld zijn de opleidingscheques, die zowel bij bedrijven als werknemers aanslaan. Alain Mouton - Daan KillemaesAlleen een hogere productiviteit kan Vlaanderen redden. Het aantal vroegtijdige schoolverlaters legt een tijdbom onder de arbeidsmarkt. "Ik pleit voor een latere en dus rijpere studiekeuze." (Ides Nicaise, Hiva)