De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. Het grote probleem met aandelenopties is lange tijd geweest, dat België op fiscaal gebied geen aangepast wetgevend kader had. Sinds 1999 is dat er wel. Maar ongelukkig genoeg zijn het nu de financiële markten die niet meer meewillen. Aandelenopties die rond de eeuwwisseling toegekend zijn, toen alles nog rozengeur en maneschijn was, zijn in veel gevallen zo goed als waardeloos geworden. Ellende troef dus, want wat baat het van je werkgever een "optie" toegekend te krijgen om aandelen te verwerven tegen bijvoorbeeld 100, als kort daarna blijkt dat de waarde van die aandelen pijlsnel onder de 100 daalt? Vermoeden. Het vervelende is bovendien, dat de Belgische wetgever - in de nieuwe regeling zoals ze sinds begin 1999 van toepassing is - een onweerlegbaar vermoeden heeft ingesteld dat aandelenopties (die bijvoorbeeld aan werknemers worden toegekend) belastbaar zijn op het ogenblik van hun toekenning. Wie rond de eeuwwisseling, toen er op de financiële markten nog geen vuiltje aan de lucht was, een loonvoordeel in de vorm van aandelenopties heeft verkregen, heeft op dat voordeel belasting betaald. Velen hebben moeten ervaren dat zij belasting betaald hebben op een voordeel dat intussen als sneeuw voor de zon is verdwenen. Maar in hoge nood kent men zijn vrienden. En dus is de fiscus ter hulp geschoten met een genereus gebaar. Ze laat toe dat de uitoefentermijn van deze aandelenopties met maximaal drie jaar wordt verlengd. In de hoop dat de aandelenkoersen zich tegen die tijd hebben hersteld en het voordeel waarop men belasting heeft betaald, uiteindelijk toch nog resulteert in een echt financieel voordeel. Voorwaarden. Maar de generositeit van de fiscus kent grenzen. En dus is de mogelijkheid om de uitoefentermijn te verlengen aan tal van voorwaarden onderworpen. Zo is om te beginnen vereist dat het gaat om aandelenopties die onder toepassing vallen van de nieuwe wettelijke regeling zoals die in 1999 is ingevoerd. Dat valt niet moeilijk te begrijpen. Bij aandelenopties die voorheen toegekend zijn, gaat de administratie er immers van uit dat zij niet belastbaar zijn bij hun toekenning maar bij hun uitoefening. Of dat inderdaad het geval is, moet nog blijken. In de rechtszalen wordt op dit ogenblik een flink robbertje rond dit thema gevochten. Wat er ook van zij, de fiscus vindt niet dat hij de houders van oude aandelenopties (die nog niet onder de nieuwe wetgeving vallen) ter hulp moet snellen. Het moet dus om nieuwe aandelenopties gaan. En zij moeten uiterlijk op 31 december 2002 aangeboden zijn. Deze laatste voorwaarde zal in de praktijk niet veel problemen veroorzaken. Met de moeilijkheden op de aandelenmarkten mogen we aannemen dat na die datum nog maar weinig aandelenopties aangeboden zullen zijn. En als ze aangeboden zijn, zullen allicht maar weinigen happig geweest zijn om op het aanbod in te gaan. Instemming. De lezer van de Programmawet van 24 december 2002, waarin de verlengingsmogelijkheid is opgenomen, heeft allicht een hele kluif gehad aan de volgende voorwaarde. Die luidt dat de vennootschap die de opties heeft aangeboden, de uitoefentermijn van deze opties slechts met maximaal drie jaar kan verlengen, voor zover de begunstigden daarmee instemmen. Op het eerste gezicht is dat een heel simpele voorwaarde. Maar bij nader inzien zijn de problemen legio. Moeten álle begunstigden instemmen? En wat met multinationals die wereldwijd, van Brussel tot Tokio, aandelenopties aan hun medewerkers hebben aangeboden? Moeten de personeelsleden in Sydney en Toronto ook hun instemming verlenen, ook als die in de verste verte niets met België te maken hebben? Allemaal vragen waarop het antwoord niet meteen voor de hand ligt. Temeer daar de minister van Financiën zelf voor de nodige verwarring heeft gezorgd, door tijdens de parlementaire voorbereiding te verklaren dat wel degelijk álle begunstigden met het voorstel van termijnverlenging moeten instemmen. Maar een aantal weken geleden heeft de Commissie voor het Bank- en Financiewezen zich in het debat gemengd. Hoewel deze hoge autoriteit geenszins bevoegd is om de fiscale wet te interpreteren, liet zij toch weten dat een unanieme instemming van alle begunstigden niet nodig zou zijn. De verlenging werkt ten opzichte van de begunstigden die hun instemming betuigen (ook als er andere begunstigden zijn die de termijnverlenging afwijzen, of er zich niet over zouden uitspreken). De fiscale administratie heeft zich inmiddels bij dit standpunt aangesloten. Zij gaat nog een stap verder. De instemming moet niet aan alle begunstigden van de aandelenopties worden gevraagd. Het volstaat dat het voorstel wordt voorgelegd aan de begunstigden waarvoor de verlenging van de termijn wordt overwogen (zodat bijvoorbeeld geen voorstel moet worden gedaan aan werknemers die nooit met de Belgische wetgeving in aanraking kunnen komen). Tijd. Hoe dan ook, de tijd dringt. De verlenging moet uiterlijk op 30 juni een feit zijn. En vervolgens moet men de administratie vóór 31 juli op de hoogte brengen. De specialisten in aandelenopties schorten hun vakantie dus best tot na juli op. Niet alle begunstigden moeten hun instemming betuigen.