Sinds het aanslagjaar 1999 bedraagt de bezwaartermijn voor de inkomstenbelastingen nog maar drie maanden. Dat is zeer kort. Vooral als je deze termijn vergelijkt met de extreem lange termijnen waarover de administratie beschikt om de aanslag te vestigen of om een oorspronkelijk gevestigde aanslag nog met bijkomende aanslagen aan te vullen.
...

Sinds het aanslagjaar 1999 bedraagt de bezwaartermijn voor de inkomstenbelastingen nog maar drie maanden. Dat is zeer kort. Vooral als je deze termijn vergelijkt met de extreem lange termijnen waarover de administratie beschikt om de aanslag te vestigen of om een oorspronkelijk gevestigde aanslag nog met bijkomende aanslagen aan te vullen. Hij is ook zeer kort als men hem vergelijkt met de termijn waarover de belastingplichtige vroeger beschikte om bezwaar in te dienen. Bij de oude fiscale procedure (die tot en met het aanslagjaar 1998 van toepassing was) bedroeg de bezwaartermijn altijd ten minste zes maanden. In het uiterste geval kon hij zelfs bijna zestien maanden duren. De bezwaartermijn liep immers tot 30 april van het jaar dat volgde op het jaar waarin de belasting was gevestigd. Wanneer de aanslag bijvoorbeeld begin januari van een bepaald jaar was gevestigd, had je tijd tot 30 april van het daaropvolgende jaar. Ongeveer zestien maanden dus. Met altijd een minimum van zes maanden. Werd de aanslag bijvoorbeeld midden december van een bepaald jaar gevestigd, dan had je tijd, niet tot 30 april van het daaropvolgende jaar, maar wel tot midden juni. Verlenging. Voor wie gewend was aan die lange bezwaartermijnen was het moeilijk wennen aan de extreem korte termijn van drie maanden die bij de nieuwe fiscale procedure werd ingevoerd. Van bij het begin gingen dan ook stemmen op om de termijn opnieuw te verlengen. Naar zes maanden. Enkele jaren geleden werd een initiatief in die zin ondernomen. Maar om onduidelijke redenen is dat toen niet doorgegaan. Van het ontwerp van nieuwe programmawet dat onlangs bij de Kamer werd ingediend, wordt nu gebruikgemaakt om de verlenging naar zes maanden alsnog te realiseren. Let wel: de verlenging van de bezwaartermijn is op dit ogenblik nog geen feit. Volgens het wetsontwerp treedt de nieuwe termijn pas in werking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking van de nieuwe programmawet in het Belgisch Staatsblad. Stel dat de wet ergens begin juli van dit jaar in het Staatsblad wordt gepubliceerd. De nieuwe zesmaandentermijn zal in die veronderstelling gelden vanaf begin augustus 2006. In afwachting daarvan moet de huidige termijn van drie maanden nauwgezet worden nageleefd. De bezwaartermijn is immers een vervaltermijn. Een bezwaarschrift dat te laat wordt ingediend, is onontvankelijk. De administratie kan en mag er geen rekening mee houden (tenzij het bezwaar kan worden aangemerkt als een geldige aanvraag voor een ontheffing van ambtswege; maar dat is dan weer een ander verhaal). Aanslagtermijn. Naast het goede nieuws (de verlenging van de bezwaartermijn) brengt het ontwerp van programmawet voor de belastingplichtige ook slecht nieuws: een verlenging van de aanslagtermijn. Normaal moet de aanslag worden gevestigd uiterlijk tegen 30 juni van het jaar dat volgt op het aanslagjaar. Maar als er geen aangifte werd ingediend of wanneer de aangifte laattijdig werd ingediend of niet correct is, beschikt de administratie over een termijn van drie jaar om de aanslag, of een aanvullende aanslag te vestigen. Bij fraude kan deze driejarige termijn nog met twee jaar worden verlengd. Buitengewoon. Vijf jaar is dus het maximum. Maar dit wil niet zeggen dat de belastingplichtige op beide oren kan slapen zodra er vijf jaar zijn verstreken (te rekenen vanaf 1 januari van het aanslagjaar). De wetgever heeft immers voor bepaalde gevallen voorzien in een buitengewone aanslagtermijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat de belastingplichtige bepaalde inkomsten niet heeft aangegeven in een van de vijf jaren die voorafgaan aan het jaar waarin de administratie kennis krijgt van die bewijskrachtige gegevens. Zij beschikt dan over een termijn van twaalf maanden om de belasting alsnog te vestigen. Stel bijvoorbeeld dat de fiscus vandaag te weten komt dat ik in 2001 bepaalde inkomsten - van het inkomstenjaar 2000 - niet heb aangegeven. Zij kan die inkomsten dan nog belasten tot midden juni 2007. Dat is geen aanslagtermijn van vijf jaar, maar wel een termijn die kan oplopen tot ongeveer zeven jaar. Een gelijkaardige regeling geldt wanneer België van landen waarmee het een dubbelbelastingverdrag heeft gesloten, informatie krijgt doorgespeeld waaruit blijkt dat bepaalde inkomsten in een van de vijf voorgaande jaren niet in België werden aangegeven. Ook dan beschikt de administratie nog over twaalf maanden om de aanslag alsnog te vestigen. In een internationale context draait de administratieve molen evenwel beduidend trager. Vandaar dat de administratie vragende partij was om deze bijzondere aanslagtermijn te verlengen. Zij wordt nu op haar wensen bediend. Blijkens het ontwerp van programmawet wordt de termijn van twaalf maanden in dit specifieke geval verlengd van twaalf naar vierentwintig maanden. Of een aanslagtermijn die in het uiterste geval kan oplopen tot ongeveer acht jaar. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck