Twee jaar geleden liet minister-president Luc Van den Brande het Vlaams economisch beleid doorlichten door McKinsey. Eén van de conclusies luidde dat er geen sprake was van een coherent en consequent Vlaams KMO-beleid. In het infoblad van Febeltex Vlaanderen schrijft de voorzitter van de Vlaamse textielbedrijven, Filiep Libeert, dat hij ook vandaag geen samenhangend KMO-beleid ziet.
...

Twee jaar geleden liet minister-president Luc Van den Brande het Vlaams economisch beleid doorlichten door McKinsey. Eén van de conclusies luidde dat er geen sprake was van een coherent en consequent Vlaams KMO-beleid. In het infoblad van Febeltex Vlaanderen schrijft de voorzitter van de Vlaamse textielbedrijven, Filiep Libeert, dat hij ook vandaag geen samenhangend KMO-beleid ziet. Door de Vlaamse en federale overheden en de bedrijfsorganisaties wordt nog te veel geredeneerd in termen van bedrijfsgrootte, als het gaat om het uitwerken van directe fiscale, sociale of administratieve tegemoetkomingen aan ondernemingen. Vlaanderen is een KMO-land, zo klinkt het alom maar het gaat er wel op lijken dat door de overheid (en zelfs door de financiële instellingen) vooral de "kleintjes" gekoesterd worden. Zo komen de meer uit de kluiten gewassen KMO's tussen twee stoelen terecht : te groot voor fiscale en sociale gunstmaatregelen, te klein om aanspraak te kunnen maken op bijvoorbeeld een coördinatiecentrum (want anderzijds is ons vennootschapsrecht overwegend geïnspireerd door beursgenoteerde bedrijven). Een dergelijk verkleuterend KMO-beleid werkt discriminerend en concurrentievervalsend, terwijl precies de middenmoters meestal familiale doorgroeiers de ruggengraat vormen van de Vlaamse economie. De vele halfslachtige en wisselvallige definities van "dé KMO" in de wetgeving (de criteria variëren van de omzet over het aantal werknemers en het balanstotaal tot de eigendomsstructuur) vergroten de verwarring en de onzekerheid bij de middengroep. Deze stille werkers vragen niet om een voorkeursbehandeling, "maar een goed KMO-beleid werkt niet met discriminerende drempels," stelt Libeert.De kracht van de Vlaamse industrie zit in haar mini-nationals à la Barco, Libeltex, Uco, Pauwels International. Niemand zal beperkte en specifiek gerichte tegemoetkomingen aan bijvoorbeeld startende bedrijfjes betwisten, maar algemene ondernemers-vriendelijke maatregelen zetten meer zoden aan de dijk. De voorrang moet gaan naar indirecte overheidssteun aan het bedrijfsleven door het op peil houden en voortdurend optimaliseren van een moderne infrastructuur (de uitbouw van Vlaanderen tot logistiek platform voor Europa) en het scheppen van een stimulerende omgeving voor alle ondernemingen. Zo worden in de VS wetsvoorstellen getoetst op hun dimensiegebonden weerslag voor de ondernemingen, om te voorkomen dat allerlei kostenveroorzakende gebods- en verbodsbepalingen de groeidynamiek en de werkgelegenheid zouden fnuiken. Met zijn staatswaarborg voor het verstrekken van risicokapitaal en het beoordelen van de dossiers voor expansiesteun op hun merites, zit Eric Van Rompuy op het goede spoor. De bedrijfsvriendelijker erfopvolgingsregeling van Karel Pinxten gaat in dezelfde richting. Maar de bevoegdheidsopdeling tussen de twee KMO-ministers Pinxten (federaal) en Van Rompuy (regionaal) bestendigt de ondoorzichtigheid en de verschillen in de wetgeving. (Bij wie moet men voor wat terecht ? De keurigste folders lossen de verwarring niet op.) Het is ook de vraag of de werkgeversstructuren ( NCMV, VBO, VEV en de Kamers voor Handel en Nijverheid) een factor van verandering zijn, dan wel of zij noodzakelijke aanpassingen zullen tegenhouden. Directe interventies zijn doorgaans het resultaat van "boksmatchen" tussen de traditionele organisaties in verkalkte overlegstructuren. Het NCMV wil nu eenmaal een tegengewicht zijn voor de grote jongens van het VBO. Niet het denken in termen van groeibedrijven prevaleert, maar het afkopen van de eigen deelbelangen en het afbakenen van de respectieve speeltuintjes ; dit werkt de discriminaties in de hand die Libeert aanklaagt. Toch lijkt er beweging te komen in de verworven posities : de middenstandsorganisatie NCMV werpt zich meer op als belangenbehartiger van de KMO's en de nieuwe VBO-voorzitter heeft ook een bereidwillig oor voor de KMO-kritiek op de werking van het VBO. Karel Boone stamt zelf uit een opgeschoten familiale KMO en stelt zichzelf tot opdracht "een structuur uit te bouwen ter verdediging van de belangen van alle ondernemingen." Om het triviaal te stellen : de ondernemers betalen nu viermaal lidgeld, maar ze zullen dat niet blijven doen. Essentiëler is echter dat de economische logica en de internationalisering het Vlaams patronaat zullen dwingen om met één stem te spreken tot de overheid en de vakbonden. Het slopen van bestaande kapelletjes (mentaliteiten) dringt zich op. Bovendien vervagen bedrijfssectoren in een moderne economie. Het clusterbeleid van de Vlaamse regering, dat vooral inwerkt op omgevingsfactoren, overstijgt de opdeling in bedrijfssectoren en de fragmentatie van het beleid naar grote, middelgrote en kleine ondernemingen. Fabrimetal en Febeltex hebben het daar moeilijk mee. Oude reflexen kunnen hardnekkig zijn. ERIK BRUYLAND