De auteurs zijn respectievelijk advocaat-vennoot en advocaat.
...

De auteurs zijn respectievelijk advocaat-vennoot en advocaat.Gert is een succesvolle consul- tant die al jaren op zelfstandige basis werkt voor verschillende grote firma's. De zaken gaan goed en Gert kan ieder jaar afsluiten met een mooie winst. Zijn vrouw Ann is echter bang dat er vroeg of laat toch iets verkeerd zal lopen en dat hun privé-vermogen zal worden aangetast door een schadeclaim of een faillissement. Zij dringt er dan ook op aan dat Gert zijn activiteiten voortaan vanuit een BVBA zou uitoefenen. Gert twijfelt, maar ziet dat de meeste van zijn concurrenten ook via een BVBA opereren. Gert gaat overstag. Een afscheiding van het privé-patrimonium is een ontegensprekelijk voordeel wanneer het mis loopt. Maar Gert is niet van gisteren. Als consultant is hij geïnteresseerd in cijfers in het algemeen en in een return on investment in het bijzonder. Hij heeft gehoord dat een vennootschap ook fiscaal gezien interessant kan zijn, maar wil hier toch wat meer informatie over. Hij stapt naar zijn boekhouder. De boekhouder zorgt meteen voor een kleine ontnuchtering. Hij wijst Gert erop dat het onderbrengen van zijn activiteit in een BVBA fiscaal neerkomt op het creëren van een extra belastingplichtige. Op dit moment worden de inkomsten die Gert uit zijn consultancy-activiteiten ontvangt alleen aan de personenbelasting onderworpen. Als hij via een BVBA opereert, komen deze inkomsten eerst in zijn vennootschap terecht en zijn ze onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Daarna worden ze uitgekeerd aan Gert, die er dan nog eens personenbelasting op moet betalen. De boekhouder drukt Gert op het hart dat het heel belangrijk is om de nodige fiscale berekeningen te maken alvorens een BVBA op te richten. Samen overlopen ze de verschillende methodes waarmee Gert de inkomsten van de vennootschap kan overhevelen naar zijn eigen rekening. 1. Dividend. Gert herinnert zich vaag nog iets van vennootschapsrecht uit zijn studententijd. Hij denkt aan de bestuurdersbezoldiging en aan dividenden en tantièmes. De boekhouder vertelt hem dat een dividend in principe aan een roerende voorheffing van 25 % onderworpen is. Voor de BVBA kan het tarief echter verlaagd worden tot 15 % als het kapitaal van de vennootschap volledig door inbrengen in geld gestort wordt. Schitterend nieuws, vindt Gert. Hij hoort de kassa al rinkelen als hij dit vergelijkt met het tarief van 50 % voor beroepsinkomsten. Maar de boekhouder moet hem teleurstellen. Ondanks het verlaagde tarief is het dividend nog steeds geen optimale oplossing. Dividenden zijn namelijk niets meer dan de uitkering van gerealiseerde winsten en kunnen dus niet van de winst worden afgetrokken. Met andere woorden: de dividenden zijn niet aftrekbaar voor de BVBA. De accountant maakt een snelle berekening en weet te vertellen dat een dividenduitkering, rekening houdend met het normale belastingtarief van 33,99 % voor de BVBA en gecombineerd met de roerende voorheffing, aanleiding geeft tot een belasting die 50 % benadert. Gert gooit het idee van de dividenden overboord. 2. Tantième. Hoe zit het dan met die tantièmes, vraagt hij zijn boekhouder. Die fronst de wenkbrauwen weer. Tantièmes zijn dan wel fiscaal aftrekbaar voor de BVBA, maar Gert betaalt er sociale bijdragen op en progressieve belastingen op beroepsinkomsten (maximaal 50 %). Gert wordt er niet goed van. Voor zijn part wordt het idee van een BVBA definitief afgevoerd. Maar de boekhouder ziet nog een andere mogelijkheid. Het vertrekpunt is nog steeds een BVBA, waarvan het kapitaal volledig door inbrengen in geld gevormd wordt. Dat betekent een storting van 6200 euro, en daar ziet Gert geen probleem in. En op die manier behoudt hij de mogelijkheid van een dividend met de verlaagde belasting van 15 %. Hij moet dus 6200 euro in cash storten en niet het vereiste kapitaal samenstellen met bepaalde goederen. Nu oppert de boekhouder de mogelijkheid om goederen aan de vennootschap te verhuren. Gert is op dit moment geen eigenaar van enig onroerend goed en mag het pand dat hij huurt niet onderverhuren. Geen probleem, zegt de boekhouder, want ook roerende goederen kunnen aan een BVBA verhuurd worden. Hij maakt Gert erop attent dat de vennootschap, door de zuivere cash-inbreng, niet over goederen beschikt om haar doel te realiseren. Een zogenaamde roerende verhuur aan de eigen vennootschap heeft een belangrijk fiscaal voordeel. Gert kan op die manier de winst uit de vennootschap halen in de vorm van roerende inkomsten. Op die roerende inkomsten betaalt hij wel belastingen, maar tegen een tarief van slechts 15 %. Bovendien mag hij van de roerende inkomsten de werkelijke kosten aftrekken (met uitzondering van financieringskosten). Als Gert er niet in slaagt om deze kosten te bewijzen of als hij geen kosten heeft gehad, heeft hij toch nog recht op een algemeen kostenforfait van 15 %. De boekhouder probeert dit alles te verduidelijken met een voorbeeld. Stel dat Gert zijn auto aan de BVBA verhuurt voor 450 euro per maand. In dat geval mag hij de verwante kosten (afschrijvingen, verzekering...) van de huurprijs aftrekken. Kan hij deze kosten niet bewijzen of bedragen ze geen 15 % van 450 euro, dan geldt het kostenforfait. De vennootschap mag deze kosten voor fiscale doeleinden aftrekken (in het geval van autokosten weliswaar beperkt tot 75 %). Levert dit systeem voor Gert een financieel voordeel op? Stel dat hij de auto net voor de oprichting van zijn BVBA heeft aangeschaft en uitgaat van een normale gebruiksduur van vijf jaar. In dat geval wordt Gert gedurende die vijf jaar niet of bijna niet rijker van het voorstel van de boekhouder. Hij krijgt wel iedere maand 450 euro van zijn vennootschap, maar daartegenover staan heel wat kosten, zoals de afschrijvingen op de wagen. Op die manier riskeert hij niets over te houden aan deze transactie. Hij hoeft dan geen belasting te betalen en hij heeft geld uit zijn vennootschap gehaald, maar dat kon hij fiscaal gezien evengoed door de vennootschap rechtstreeks de auto te laten aankopen. Deze verhuur is een loutere vestzak-broekzak-operatie. Het wordt pas interessant als de wagen volledig is afgeschreven en de verhuur toch nog doorgaat. In dat geval verkrijgt Gert (laag belaste) roerende inkomsten. Er zit nog een bijkomend financieel voordeel voor Gert in als hij een meerwaarde op de auto realiseert. Stel dat Gert de auto drie jaar na de aankoop verkoopt. Op het moment van de verkoop heeft hij nog geen of een gering financieel voordeel uit de verhuur gehaald. Maar Gert heeft geluk: na drie jaar is de wagen op papier nog maar 15.000 euro waard, terwijl de koper 20.000 euro op tafel legt. Het interessante is dat die meerwaarde van 5000 euro niet wordt belast. Als de wagen door de vennootschap was aangekocht en die een meerwaarde van 5000 euro had gerealiseerd, was dat inkomen wel belast tegen een algemeen tarief van 33,99 %. Gert vraagt de boekhouder of die huurprijs van 450 euro niet aan de lage kant is. Dat klopt, antwoordt die, maar dat heeft zo zijn redenen. Een verhuurder van roerende goederen is namelijk in principe een BTW-plichtige. Gert zou in dit geval de betaalde BTW kunnen aftrekken. Geen extra belasting dus, maar wel extra administratie. Het is om die reden dat men meestal BTW probeert te vermijden. En dat kan makkelijk door ervoor te zorgen dat de jaarinkomsten uit de verhuring van roerende goederen niet meer dan 5580 euro bedragen. In dat geval spreekt men immers van kleine ondernemingen en die genieten een vrijstelling van BTW. Gert leeft weer op. Hij wil deze mogelijkheid ten volle te benutten. Hij is zelfs bereid de nodige BTW-formaliteiten op zich te nemen zodat hij onbeperkt goederen kan verhuren aan zijn vennootschap. De boekhouder moet het enthousiasme van Gert enigszins temperen: er is toch nog een zeker fiscaal risico aan deze constructie verbonden. De fiscus beschouwt inkomsten uit roerende goederen als beroepsinkomsten als de administratie kan aantonen dat Gert die roerende goederen voor zijn beroepswerkzaamheid gebruikt. In dat geval worden de inkomsten even zwaar belast als de bestuurdersbezoldiging, en dat wou Gert juist vermijden. Gert ziet zichzelf niet als een professionele verhuurder van goederen en lacht de opmerking van de accountant weg. Maar die vertelt hem dat het bestaan van een beroepswerkzaamheid in essentie afhangt van de frequentie waarmee hij goederen verhuurt. Volgens onze rechtbanken is een beroepswerkzaamheid een geheel van onderling verbonden verrichtingen die zich vaak genoeg voordoen om een bedrijvigheid te vormen. De fiscus is erop gebrand om de inkomsten van Gert uit de verhuur van roerende goederen aan zijn vennootschap, die hij zelf heeft opgericht om van daaruit de vroegere zelfstandige activiteit uit te oefenen, te belasten als beroepsinkomsten. Gert krijgt het nu toch een beetje benauwd. Is het dan niet mogelijk om alle risico van belasting als beroepsinkomsten uit te sluiten? De boekhouder zegt van niet. Er zijn elementen die een rol kunnen spelen, zoals het aantal afgesloten huurcontracten, wat er precies verhuurd wordt, het al dan niet leveren van bijkomende diensten bij de verhuur enzovoort. Toch blijft het moeilijk om het risico van belasting in te schatten, laat staan te beperken. Het is een feitenkwestie die je grondig moet bekijken voor je overgaat tot het opzetten van deze fiscale optimalisatie. Maar, zegt de boekhouder troostend, de onderworpenheid aan de BTW betekent niet noodzakelijk dat de inkomsten beroepsinkomsten zijn. De twee elementen staan los van elkaar. Of er BTW verschuldigd is, hangt louter af van de aangerekende huur, wat niet noodzakelijk in verband staat met een frequentie die erop wijst dat het om beroepsinkomsten gaat. De boekhouder herinnert zich nog een aantal gevallen waarin de inkomsten uit de verhuur van de roerende goederen door de fiscus gewoon werden beschouwd als bezoldigingen. Dat was eens gebeurd toen bij de aanvang van de verhuur de bezoldiging van de zaakvoerder werd verlaagd, waardoor het verband tussen het een en het ander duidelijk werd. Nu wordt het wat moeilijk voor Gert. Is de oplossing die de boekhouder voorstelt nu wel of niet interessant? Dat hangt van nog een aantal factoren af, weet de boekhouder te vertellen. Een element dat zeker een rol speelt, is de financiële situatie van de zaakvoerder/aandeelhouder. Gert kan geen financieringsschulden aftrekken van de opbrengsten uit de verhuur. Als hij een lening moet aangaan om de roerende goederen te verwerven, kan de interest op de schulden fiscaal niet afgetrokken worden. Als de aankoop van deze goederen door de vennootschap gebeurt, met fondsen verkregen uit een lening, kan de verschuldigde interest door die vennootschap wel als beroepskost worden afgetrokken. Bovendien is het belangrijk dat de roerende inkomsten de roerende kosten overtreffen. De boekhouder herinnert Gert eraan dat verhuren pas interessant is als er iets achterblijft in de portemonnee van de verhuurder. Ook een meerwaarde op het einde van de rit kan een element zijn om te besluiten tot de verhuur van roerende goederen. Als de BVBA van Gert op die manier grote bedragen moet betalen, bestaat de verplichting om BTW aan te rekenen. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn, als Gert bereid is de administratieve papiermolen erbij te nemen. Maar het is wel een probleem als de vennootschap de BTW niet kan aftrekken. Dat is bijvoorbeeld het geval bij vennootschappen die zijn opgericht voor de uitoefening van een vrij beroep. De boekhouder geeft Gert nog een laatste bedenking mee. Het is namelijk interessant om bepaalde goederen buiten de vennootschap te houden. Mocht het verkeerd aflopen, dan kunnen de schuldeisers niet met je auto en andere bezittingen gaan lopen. Gert gaat met een barstende hoofdpijn weer naar huis. Ignaas Behaeghe Géry BombekeHet verhuren van roerende goederen is vooral interessant als het goed volledig is afgeschreven en de verhuur toch nog doorgaat.Verkoopt u het verhuurde goed na enkele jaren, dan is de eventuele meerwaarde vrijgesteld van belastingen.