DEHAENE.
...

DEHAENE.De studie van Jef Vuchelen en Catherine Blancquaert werpt een heel ander licht op de prestaties inzake publieke financiën van de twee regeringen-Dehaene. De sanering daarvan was één van de topprioriteiten van deze regeringsploeg. Daartoe behoorde ook 'de versterking van het economische draagvlak', zoals het regeerakkoord het omschreef. "Om de groeimogelijkheden voor de toekomst te vrijwaren," zou de regering - aldus de tekst van datzelfde regeerakkoord uit 1995 - "nauwlettend blijven toezien op de handhaving van het concurrentievermogen." Daartoe zou vanaf 1997 op een meer preventieve wijze onze loon- en inkomensontwikkeling worden afgestemd op deze van de andere landen van de Economische en Monetaire Unie (EMU) en - in afwachting daarvan - op deze van de drie omliggende landen: Duitsland, Frankrijk en Nederland (DFN), tegelijk onze drie belangrijkste handelspartners. De loonkosten per werknemer uitgedrukt in gemeenschappelijke munt - de meest gangbare norm om het concurrentievermogen te meten - daalden tijdens deze legislatuur met 3,2% tegenover DFN. Deze verbetering komt voor iets meer dan de helft voor rekening van een betere beheersing in België van de loonkosten in nationale munt en voor iets minder dan de helft voor rekening van de effectieve waardedaling van de Belgische frank tegenover DFN over de periode 1995-1998. Vooral tegenover de Franse frank verloor onze munt in die periode aan waarde. Zoals blijkt uit tabel 1 ( Loonkosten per werknemer) verbeterde de loonkostencompetitiviteit over het geheel van de twee regeringen Dehaene met 1,7%, wat impliceert dat Dehaene II de averij die tijdens Dehaene I werd opgelopen, ongedaan kon maken. Mag uit deze gegevens worden besloten dat de regering-Dehaene II succes kende op het vlak van loonkostenontwikkeling? Het antwoord daarop is neen en wel om de eenvoudige reden dat onze bedrijven nog altijd zitten opgezadeld met een aanzienlijke loonkostenhandicap. Een erfenis uit het verleden. Tabel 1 geeft aan hoe groot die handicap is op basis van de diverse referentieperiodes die in de discussie rond de competitiviteit worden gehanteerd. Tegenover DFN blijft, met 1970 of 1987 als basisjaar, de handicap respectievelijk 18% en 5,8%. Tegenover de negentien belangrijkste industrielanden bedraagt onze achterstand nog altijd 19,4%, respectievelijk 3,5%.Totnogtoe ging het hier over de loonkosten per werknemer. Krijgen we echter geen positiever beeld als we kijken naar de loonkost per eenheid product? Deze variabele houdt immers expliciet rekening met de evolutie van de productiviteit. Zoals bekend claimen bepaalde kringen in dit land dat onze hogere productiviteit de hogere loonkosten ruim compenseert. Uit de jongste gegevens van de Nationale Bank blijkt evenwel dat tussen 1996 en 1998 de loonkosten per eenheid in België met 0,6% stegen terwijl ze in DFN daalden met 1,2%. Gemeten volgens deze parameter nam de loonkostenhandicap onder Dehaene II dus toe met 1,8% tegenover DFN. Ook als men kijkt naar de loonkosten per eenheid product op langere termijn, kijken Belgische bedrijven aan tegen een aanzienlijke handicap. Uit tabel 2 ( Loonkosten per eenheid product) blijkt dat met 1987 als basisjaar de Belgische loonkost per eenheid product met 5,7% terugliep. In Duitsland, Frankrijk en Nederland bedroeg die daling respectievelijk 11,2%, 6,2% en 7,5%. Met 1970 als referentiejaar worden de verschillen nog groter. Op het vlak van de competitiviteit van de loonkosten kan het beleid van de regering(en)-Dehaene dus worden vergeleken met dat inzake publieke financiën: op het eerste gezicht oogt het behoorlijk tot zeer goed, maar in werkelijkheid ziet het er veel minder positief uit. Blijkbaar voelde de kiezer dat op 13 juni ook zo aan.GC/JVO