Met een olieprijs boven de 125 dollar per vat begint het autorijden in Amerika een dure zaak te worden. Elke bezoeker aan de VS kent het Amerikagevoel. Rondrijden met een SUV, aan de rechterkant een koffie van Starbucks uit een drive-in en een knabbelzak met chips aan de andere kant. Je moet niet schakelen en voor lange stukken is er de cruisecontrol. Je moet alleen je ogen openhouden en adem blijven halen. Al het andere is comfort, als het zinnebeeld van 'life, liberty and the pursuit of happiness'.
...

Met een olieprijs boven de 125 dollar per vat begint het autorijden in Amerika een dure zaak te worden. Elke bezoeker aan de VS kent het Amerikagevoel. Rondrijden met een SUV, aan de rechterkant een koffie van Starbucks uit een drive-in en een knabbelzak met chips aan de andere kant. Je moet niet schakelen en voor lange stukken is er de cruisecontrol. Je moet alleen je ogen openhouden en adem blijven halen. Al het andere is comfort, als het zinnebeeld van 'life, liberty and the pursuit of happiness'. Maar hoe lang is deze levensstijl nog haalbaar? Goldmann Sachs voorspelde onlangs dat de olieprijs structureel tussen de 150 en de 200 dollar per vat zou stijgen. Die boodschap kwam hard aan in de VS, want dan gaat de benzineprijs naar 8 dollar per gallon (3,7 liter). Nu zit de prijs tussen de 3,60 en 4 dollar. Dat is zelfs naar Europese maatstaven niet zo heel duur, maar voor Amerikanen is dat een verschrikking. Het is het einde van de economie van de goedkope energie en het tast de bakermat van de American way of life aan. De gemiddelde Amerikaan is gewend, zoniet verslaafd, aan goedkope energie. De SUV slurpt als een koe en de Amerikaan rijdt vanuit de garage rechtstreeks naar de inkoopcentra. Alles is in de zomer sterk verkoeld met airconditioning en in de winter oververhit door de verwarming. Bewegen is amper nodig en een kwestie van dieetartsen en van Hollywoodsterren geworden. De hoge benzineprijs vreet aan de portemonnee van de Amerikaan. Ook andere kosten, zoals onderwijs en gezondheidszorg, zijn exponentieel gestegen. Een olieprijs tussen de 150 en 200 dollar is wellicht te zwaar en dreigt een aankomende recessie te verdiepen. Maar een olieprijs tussen de 100 en 130 dollar is eigenlijk goed. Prijs is de sterkste drijfveer om economische processen en gedragingen te veranderen. Dus niet de pamfletten van de groene politici, dominees of pastoors en hagenpredikers. Prijs drukt door. Prijs dwingt tot keuzes die anders niet gemaakt worden. Dat betekent dat een relatief hoge benzineprijs de Amerikanen ertoe moet aanzetten economischer met hun auto's om te gaan. Ik wil niet elke Amerikaan op de fiets dwingen, al zou dat ook eens gezond zijn voor een bevolking die voor een derde obees is. Amerikanen moeten zich de vraag stellen: heb ik de auto vandaag nodig voor die boodschap? Kan ik die autorit misschien met iets anders combineren? Zal ik iets samen doen met de buren? In de tweede plaats moeten Amerikaanse autofabrikanten zuiniger auto's bouwen. De benzineprijs was in de jaren 90 te laag. Het gevolg was de opkomst van de enorme SUV's. Dat zijn auto's waarmee je eigenlijk door de prairie kunt rijden, maar Amerikanen rijden ermee in de steden en in de suburbs. De overheid durfde die auto's niet zwaar te belasten omdat ze tot de Amerikaanse levensstijl behoren. Elke politicus die dat voorstelt, zou politiek zelfmoord plegen. Maar nu is er een externe druk: de olieprijs. De hoge olieprijs zet ook de politiek onder druk, zeker in een verkiezingsjaar. Er komen accentverschuivingen in de energie- en landbouwpolitiek. Zowel bij de Democratische presidentskandidaat Barack Obama als bij zijn Republikeinse rivaal John McCain staan energie- en milieubeleid hoog in het vaandel. Dat is een groot verschil met de regering-Bush, die grote belangengroepen in de energiesector bediende. Obama en McCain zijn voor energiebesparing en voor alternatieve energie. Obama zit meer op het spoor van zonne- en windenergie. McCain is ook voorstander van kernenergie die 20 % van het Amerikaanse elektriciteitsverbruik opvangt. Windenergie nog maar 1 %. Er begint ook kritiek te komen op de productie van bio-ethanol die de voorbije maanden tot hogere voedselprijzen leidde. Voor het eerst komen in het Congres kritische geluiden op. Maar kritiek is politiek riskant. McCain uitte zich vroeger al eens negatief over subsidies voor de bio-ethanolproductie in de staat Iowa, waar de eerste voorverkiezingen werden gehouden. Daarmee werden zijn kansen zwaar benadeeld. Congresleden beseffen dat een aanvaring met de machtige landbouwlobby een procedure voor politieke zelfmoord is. Nu verbruikt Amerika een derde van haar maïsproductie voor bio-ethanol, wat de voedselprijzen omhoog duwde. Obama wil een regeling waarin basisproducten voor de voedselindustrie niet meer worden gebruikt. Ook dat maakt hem niet populair in de Midwest. Amerika begint in te zien dat voedselrellen in het buitenland geen buitenlandse kwestie meer zijn. Een ander uitvloeisel van de hoge energieprijzen is het milieubeleid. Ook Amerikaanse politici beseffen dat meer energie ook schonere energie moet zijn. De regering-Bush heeft zich altijd verzet tegen het Kyotoprotocol dat in 2012 afloopt. McCain wil nu een regeling die erg lijkt op de Europese voorstellen: plafonnering voor de uitstoot van broeikasgassen en een emissiehandelssysteem. Het zou een technologische revolutie opleveren als de Amerikaanse economie tot dit systeem toetreedt. Dus olieprijs, blijf tussen de 100 en 130 dollar. (T) DE AUTEUR IS SCHRIJVER EN COLUMNIST. HIJ WOONT EN WERKT IN DE VERENIGDE STATEN. Derk Jan Eppink