Ondanks de al vrij doorgedreven globalisering zitten niet alle banken in hetzelfde schuitje. Continentale Europese banken bijvoorbeeld werken in het buitenland via rechtstreekse filialen, terwijl Angelsaksische banken daar gespecialiseerde en onafhankelijke instellingen voor oprichten. Dat maakt dat beide bankstructuren anders staan tegenover de minimumkapitaalvereisten. De Europese banken menen dat ze in dat opzicht benadeeld zijn.
...

Ondanks de al vrij doorgedreven globalisering zitten niet alle banken in hetzelfde schuitje. Continentale Europese banken bijvoorbeeld werken in het buitenland via rechtstreekse filialen, terwijl Angelsaksische banken daar gespecialiseerde en onafhankelijke instellingen voor oprichten. Dat maakt dat beide bankstructuren anders staan tegenover de minimumkapitaalvereisten. De Europese banken menen dat ze in dat opzicht benadeeld zijn. Staatsbemoeienis verschilt van land tot land. Algemeen willen de regeringen taksen heffen op buitengewone resultaten of op de uitkering van ongeoorloofde bonussen. Niemand denkt er echter aan de speculatieve activiteit zelf te beperken om toekomstige scheeftrekkingen te voorkomen. Niet alleen regeringen en volksvertegenwoordigers zijn hoe langer hoe minder te spreken over de arrogantie van de banken, ook investeerders beginnen de inmenging van de banken in hun activiteiten minder te appreciëren. En waar zij het kunnen, maken zij gebruik van marktfaciliteiten die hen de tussenkomst van banken besparen. Dat viel op tijdens de laatste drie veilingen van Amerikaans schatkistpapier. In het Amerikaanse systeem bestaan er twee vormen van biedingen: de competitieve en de niet-competitieve. Bij de eerste stelt de bieder een prijs voor waartegen hij zich bereid verklaart een aantal stukken op te nemen. Bij de tweede vorm geeft de bieder alleen het aantal stukken op en aanvaardt hij automatisch de prijs die na de veiling tot stand zal komen. Centrale banken en buitenlandse staatsinstellingen beleggen op die manier hun dollarreserves. De Amerikaanse schatkist aanvaardt gebruikelijk alle niet-competitieve biedingen. Die beïnvloeden immers de prijsvorming van de stukken niet en verlagen zo de rentestand. Wat betekent dat de VS zich goedkoper financiert dan om het even welk ander land. Met de bankencrisis is de omvang van niet-competitieve biedingen echter fors gedaald. Ooit bereikten ze 25 % van het totaal, nu overschrijden ze zelden 5 %. Bieders kunnen op twee manieren optreden: rechtstreeks, op voorwaarde dat ze een rekening bij de schatkist geopend hebben, of via een bank die voor hun rekening optreedt. De Federal Reserve plaatst eveneens biedingen voor eigen rekening of voor die van buitenlandse instellingen. Tot voor kort overschreden de directe biedingen nooit 5 % van het totale toegewezen bedrag. Tijdens de laatste drie veilingen van vorige week is daarin blijkbaar een kentering gekomen. Op 12 januari veilde de schatkist driejarige obligaties. Van de 120,6 miljard die ze aan biedingen verzamelde, kende ze 41,6 toe. De directe biedingen stonden voor 22,5 % van dat totaal in. Bij de veiling van tienjarig papier de dag nadien (21,8 miljard) stemden de directe biedingen met 16,5 % overeen. Dat betekent dat de banken er niets op verdienen. Erger nog: ze kennen niet langer de omvang van de geplaatste biedingen en kunnen zich geen idee vormen van de evolutie van de interesten. Voor de schatkist echter biedt de nieuwe concurrentie voorlopig voordelen. Ze belet namelijk dat de banken de rente in één of andere richting duwen. (C)Door Jean-Pierre Avermaete