Ideaal! In plaats van te investeren in een labiel bankaandeel, een duf pensioenfonds of een saaie kasbon, heeft de redactie van Trends beslist een eigen windmolenpark te bouwen op zee. Terwijl de wind waait en wij op een tropisch eiland -- pun intended -- uitblazen, stroomt het subsidiegeld onze koffers binnen. Tot zover de dagdromen. De realiteit is anders. De rendabiliteit ligt pakken lager dan verhoopt. Het businessplan van C-Power gaat uit van 12 procent rendement op het ingebrachte vermogen, maar de verwachting is dat zelfs dat cijfer niet wordt gehaald. Parkwind, de Colruyt-dochter die de drijvende kracht is achter de offshoreparken Belwind en Northwind, wijst er ook op dat de rendementen pas aan het einde van de rit worden gehaald. "Onze pay-back komt pas na acht of negen jaar, terwijl klassieke risicokapitaalverschaffers 15 tot 20 procent eisen binnen twee tot vijf jaar", legt CEO Wim Biesemans uit.
...

Ideaal! In plaats van te investeren in een labiel bankaandeel, een duf pensioenfonds of een saaie kasbon, heeft de redactie van Trends beslist een eigen windmolenpark te bouwen op zee. Terwijl de wind waait en wij op een tropisch eiland -- pun intended -- uitblazen, stroomt het subsidiegeld onze koffers binnen. Tot zover de dagdromen. De realiteit is anders. De rendabiliteit ligt pakken lager dan verhoopt. Het businessplan van C-Power gaat uit van 12 procent rendement op het ingebrachte vermogen, maar de verwachting is dat zelfs dat cijfer niet wordt gehaald. Parkwind, de Colruyt-dochter die de drijvende kracht is achter de offshoreparken Belwind en Northwind, wijst er ook op dat de rendementen pas aan het einde van de rit worden gehaald. "Onze pay-back komt pas na acht of negen jaar, terwijl klassieke risicokapitaalverschaffers 15 tot 20 procent eisen binnen twee tot vijf jaar", legt CEO Wim Biesemans uit. Bovendien is er nog een probleem. Want, weet Jaak Rutten, CEO van C-Power, "in de zone die de Belgische regering had aangeduid, zijn alle concessies al toegewezen (zie kaart Belgische offshorewindmolenparken)." Als ons Trends-windpark er moet komen, zal er geld op tafel moeten komen om een van die concessies over te kopen. Maar er is nog hoop. In het regeerakkoord van de regering-Di Rupo staat dat de mogelijkheden zullen worden onderzocht om aan de zuidkant van de Belgische kust een tweede zone aan te duiden voor nieuwe parken. Die zou ongeveer de helft kleiner zijn dan de eerste. Helaas laat het kabinet van staatssecretaris voor Energie Melchior Wathelet weten dat er nog niets concreets is gebeurd. "Ten eerste omdat er al genoeg kapitaal zal moeten worden verzameld om de huidige zone vol te bouwen, en ten tweede om de kostprijs voor de consument te beperken. Die kosten worden immers verrekend via de energiefactuur." Omdat dit verhaal anders hier al stopt, gaan we er gemakshalve van uit dat we een van de concessies in die nieuwe zone krijgen toegewezen. Daarna moet een lange lijst instanties hun fiat geven voor ons windpark: Vlaamse bouwvergunning, federale wegvergunning, Elia, CREG, de federale overheidsdienst Economie, Milieubeheer, het Zeewezen, de Scheepvaart, de Luchtvaart, het departement Natuurkunde, enzovoort. "Toch mag je de Belgische overheid een pluim geven", vindt Frank Coenen, CEO van Belwind. "Je moet weliswaar bij exact 21 partijen zaken aftoetsen, maar door het globale kader raak je er wel uit." In Frankrijk bijvoorbeeld neemt de vergunningsprocedure sowieso zeker twee jaar extra in beslag. De gelukkigen die een vergunning krijgen, moeten daar zelf onderhandelen met de vissers en andere betrokken partijen. Eenmaal vergund wordt het tijd om aan de uitbouw van een eigen 'bibliotheek' te beginnen. Een offshorewindpark vergt wel iets meer dan het gemiddelde contract. De betreurde Filip Martens, voormalig CEO van C-Power, poseerde eind november 2010 voor een indrukwekkende rij van vijftig ordners. Daarin pronkten 20.500 bladzijden met alle informatie over het project: contracten met de aannemers, verzekeringspolissen, en alle voorwaarden en risicofactoren zoals die waren overeengekomen met het bankenconsortium. Een gouden tip: trek voldoende tijd uit voor de ondertekening; bij C-Power duurde dat de volle achttien uur. In deze fase krijgt het park zijn definitieve vorm. Het lastenboek wordt opgesteld, er wordt gekozen welk bedrijf de windmolens mag leveren. Dat heeft dan weer gevolgen voor de funderingen en het ontwerp van het park, maar ook voor de rendementen. Een turbine van 3MW kan niet plots dubbel zo groot worden. "Puur financieel gesproken, is de belangrijkste stakeholder het bankenconsortium", weet Wim Biesemans. De investeringen zijn enorm. C-Power kostte 1,29 miljard euro, voor de eerste fase van Belwind is 650 miljoen euro opgehaald en Northwind klokt af op 850 miljoen. Klassiek wordt 70 procent bij de banken opgehaald via een projectfinanciering, de rest moeten de aandeelhouders op tafel leggen. Tot een financial close komen vergt een jaar van voorbereidingen en onderhandelingen met de financiers en hun technische, juridische en verzekeringsadviseurs. Dat culmineert in vier weken kamperen met 60 tot 80 man: technici, vertegenwoordigers van banken, de Europese Investeringsbank, kredietagentschappen, exportkredietagenturen en advocaten. Daarbij worden alle risico's in kaart gebracht, gaande van stormen die een deel van het park verwoesten tot banken die failliet gaan of hun kredietbeoordeling verlaagd zien. "Pas dan weet je eindelijk wat de investering je zal kosten", lacht Biesemans. Maar intussen moeten ook al beslissingen worden genomen, vooral dan over de long lead items: zaken die veel voorbereidingstijd vergen, of die maanden op voorhand moeten worden gereserveerd. Voor de parken die nu in aanbouw zijn bijvoorbeeld, moest de zeekabel die de stroom aan land brengt achttien maanden op voorhand worden besteld. Dat is geen overbodige luxe, want enkele Duitse windparken liggen stil omdat de hoogspanningsnetbeheerder (die daar in Duitsland voor verantwoordelijk is, in tegenstelling tot België) te laat was met het bestellen en plaatsen van die kabel. Ook de schepen die de molens en de funderingen kunnen bouwen, moeten maanden vooraf worden gereserveerd. En de bouw van het hoogspanningsstation neemt eveneens heel wat tijd in beslag. Het zijn belangrijke beslissingen voor de aandeelhouders: elke bestelling betekent dat er aanbetalingen moeten gebeuren, en opzegvergoedingen indien het project niet zou doorgaan. Zodra de planning vastgelegd is, wordt het zeer moeilijk ze nog te versnellen, moest Rutten vaststellen. "Achteraf gezien hadden we de tweede en de derde fase van C-Power in één jaar kunnen bouwen. Maar dan merk je dat veel partijen vastzitten aan hun planning en financiering. We hebben maar zes molens een jaar kunnen vervroegen, en zelfs dat was al een hele klus." Dan begint -- eindelijk, we zijn intussen ten minste drie jaar verder -- de eigenlijke bouwfase. Dat vereist een precisiespel in de fabricatie van de onderdelen, waarbij de parameters veiligheid, kwaliteit, prijs en timing in evenwicht moeten worden gebracht. Duizenden onderdelen moeten worden gefabriceerd en just in time worden aangeleverd voor installatie in de Noordzee. Op dat moment is de tewerkstelling het grootst, weet Rutten. "Vanaf de studie tot aan de oplevering ging het bij C-Power om 3000 manjaren. Veel tijdelijke mensen, die er een paar weken of maanden mee bezig zijn, terwijl anderen er drie of vier jaar mee bezig zijn." Net als bij de bouw van een huis, moeten we rekening houden met meerkosten. Bijvoorbeeld slecht weer kan altijd roet in het eten gooien. Maar de meerkosten zijn, zeker in vergelijking met grote openbare bouwprojecten op het land, vrij beperkt. "Onze aandeelhouders hebben garanties neergelegd voor 53 miljoen euro aan kredietlijnen, dus ongeveer 15 procent van het totaal. Maar tot nu toe zitten we aan tussen 3 en 5 procent meerkosten", weet Biesemans. Ook bij C-Power gaat het slechts om enkele procenten. Voor onze 'Trends Windfarm' ziet het er overigens niet slecht uit, want door de toenemende concurrentie dalen de tarieven van de onderaannemers. "Dat is gedeeltelijk een misvatting", meent Coenen. "Het is niet zozeer de kostprijs per megawatt die daalt, als wel de productiviteit die stijgt." Zelfs als het park er staat, volstaat het niet onze geldkoffers open te zetten en te wachten tot de wind ze vult. Want onze inkomsten staan op zijn zachtst gezegd onder druk (zie Hoeveel betaalt u voor dezeewind?). Biesemans maakt de vergelijking met de havens van Antwerpen en Zeebrugge, of de snelwegen. Die zijn destijds ook aangelegd op kosten van de belastingbetaler. "De vraag was toen: bouwen we Antwerpen niet, en laten we de jobs aan Rotterdam? Dit is een gelijkaardig verhaal. In Denemarken werken 60.000 mensen rechtstreeks en 150.000 onrechtstreeks voor de windenergiesector. Volgens het Federaal Planbureau zitten we in België al aan 6000. Maar om de paar maanden ligt onze sector onder vuur." Nochtans is offshorewindenergie de jongste jaren relatief goedkoper geworden. Want nagenoeg alle energievormen hebben intussen subsidies nodig. De Britse regering garandeert voor een nieuwe kerncentrale een stroomprijs van 92,5 pond per MW (ongeveer 110 euro) voor de komende 35 jaar. De uitbater, GDF Suez, mag zijn operationele kosten aanpassen als de verwerking van het nucleaire afval duurder zou uitvallen dan gepland. In België besliste staatssecretaris Wathelet ook de bouw van 800 MW nieuwe gascentrales financieel te ondersteunen. "Nu wordt er geklaagd, maar in heel dit traject is het risico voor de overheid nul", stipuleert Coenen. "De burger betaalt pas mee wanneer er stroom wordt geproduceerd. De groenestroomcertificaten zijn een vergoeding voor de ondernemers die het risico hebben genomen. De waarde van de certificaten ligt sinds 2005 vast en wordt niet geïndexeerd, wat dus betekent dat ze nu nog ongeveer 80 procent waard zijn van toen. Daarbovenop dragen we ook nog het marktrisico: drie jaar geleden was de elektriciteitsprijs 80 euro, nu nog amper de helft." "In het begin was het een zoektocht om bedrijven te vinden die hierin wilden investeren", stipt Rutten aan. "Pas nu zie je meer en meer traditionele nutsbedrijven opkomen. Maar zonder bedrijven als DEME, Colruyt en de publieke aandeelhouders was dit nooit gelukt." Tegenover de inkomsten -- ongeveer een derde uit de verkoop van de elektriciteit, de rest uit de groenestroomcertificaten -- staan ook stevige kosten. Biesemans schat de onderhoudskosten voor het Belwind-molenpark op 22 miljoen euro per jaar, een bedrag dat na tien jaar zelfs stijgt naar 30 miljoen. Rutten telt 35 tot 38 euro per MW per jaar aan onderhoudsoperaties en verzekeringen, maar geeft toe dat het een beetje "een onbekende" blijft. "54 turbines en een transformatorstation, dat zijn 55 fabriekjes, waar je bovendien niet zomaar bij kan als er iets misloopt." Er vloeit flink wat geld naar verzekeringen, die bijvoorbeeld de inkomsten dekken wanneer het park zes maanden zou uitvallen. Onderhoud hapt een flinke brok weg, net als vergoedingen voor onderaannemers, en kosten voor de zelf gebruikte elektriciteit. En vergeet de 'kleintjes' niet. Aan de monitoring van de onderwaterflora en -fauna bijvoorbeeld zijn we ook snel enkele honderdduizenden euro's kwijt. Biesemans: "Een klein kwart van de omzet gaat naar zaken gerelateerd aan onderhoud, en een derde naar afschrijvingen. Er blijft een fraaie bedrijfswinstmarge, maar daarmee moeten vooral de schuldeisers worden betaald." Bovendien is het voor aandeelhouders belangrijk hun risico's te spreiden en geld vrij te kunnen maken voor verdere investeringen. Parkwind loste dat op door een alliantie aan te gaan met het Japanse Sumitomo, en een deel van de aandelen in Belwind en Northwind aan hen te verkopen. "De Japanners zullen ons helpen in de verdere ontwikkeling van dit bedrijf. Hun industriële kennis zal ons toelaten bijvoorbeeld andere staalprijzen te krijgen, en ook financieel kunnen we nog wat van hen leren." Na twintig jaar ziet het plaatje voor ons Trends-zeewindpark er zonnig uit. Weliswaar is de groenesubsidiestroom opgedroogd, maar, net zoals andere nutsgroepen energie produceren uit afgeschreven kerncentrales, kunnen wij stroom maken uit afgeschreven windmolens, met voor onze brandstof, wind, een kostprijs van zegge en schrijve nul euro. Helaas, zelfs voor windmolens op het land, nochtans een minder complexe technologie, waarschuwde Aspiravi, een investeringsmaatschappij van 95 gemeenten en de Vlaamse Energieholding, er al voor dat oude windmolenparken uit dienst zullen worden genomen indien er geen langetermijnvisie komt. Want de elektriciteitsprijs volstaat simpelweg niet om de onderhoudskosten te dekken, indien de groenestroomcertificaten vroeger dan gepland wegvallen. Toch is Coenen optimistisch: "Op termijn worden windparken misschien zoals boorplatformen: drijvende installaties die je kunt verslepen. De sector zal zeker nog een groei meemaken, en de kennis die wij, maar ook Jan De Nul, Pauwels, CG Fabricom, DEME en andere ondernemingen nu in België opbouwen, kunnen ze elders te gelde maken."LUC HUYSMANS"De groenestroomcertificaten zijn een vergoeding voor de ondernemers die het risico hebben genomen" Frank Coenen "Het is niet zozeer de kostprijs per megawatt die daalt, als wel de productiviteit die stijgt" "De groenestroomcertificaten zijn een vergoeding voor de ondernemers die het risico hebben genomen"