DIT MAGAZINE HEEFT al heel wat aandacht besteed aan het nieuwe boek van Fons Van Dyck, De Onsterfelijke Onderneming. Het vakgebied dreigde de jongste jaren begraven te worden onder een dikke laag stof van digitale strategie, ongenuanceerde odes aan ondernemerschap (iedereen ondernemer), dwaze verheerlijking van niet-bestaande leiders of pop-psychologie. Die kreten groeiden snel uit tot holle mythes, waar de auteur zeer vakkundig brandhout van maakt. Hij sleurt menig (af)god van zijn sokkel.
...

DIT MAGAZINE HEEFT al heel wat aandacht besteed aan het nieuwe boek van Fons Van Dyck, De Onsterfelijke Onderneming. Het vakgebied dreigde de jongste jaren begraven te worden onder een dikke laag stof van digitale strategie, ongenuanceerde odes aan ondernemerschap (iedereen ondernemer), dwaze verheerlijking van niet-bestaande leiders of pop-psychologie. Die kreten groeiden snel uit tot holle mythes, waar de auteur zeer vakkundig brandhout van maakt. Hij sleurt menig (af)god van zijn sokkel. VAN DYCK TRACHT te begrijpen waarom sommige bedrijven toch een soort eeuwig leven leiden. Hij is niet de eerste. In het verleden zijn er nog, soms commercieel zeer succesvolle, pogingen ondernomen. De meest succesvolle is ongetwijfeld het cultboek van Jim Collins: Good to Great, een studie van twaalf 'eeuwige' bedrijven, waarvan er al twee vlak na de publicatie door de mand vielen, door puur bedrog of faillissement. Dat weerlegt een theorie niet, omdat het altijd mogelijk is dat er pure tegenslag mee gemoeid is (niet als je jarenlang de boekhouding vervalst natuurlijk, zoals Fannie Mae) of omdat je toch bent afgeweken van je eigen rechte pad. Maar die boeken sluiten, tenminste qua toon, altijd toeval uit. Het lijkt dan achteraf alsof die bedrijven wel groots, excellent of eeuwig moesten worden, zijn en blijven. Het belangrijkste woord in de vorige zin is 'achteraf'. Een methode waarmee de onderzoeker weet dat een bedrijf succesvol was (en hopelijk nog altijd is) en nadien onderzoekt waarom dat zo moest zijn, is een veel te zwakke methode. Het is als aan de enige overlevende van een vliegtuigcrash vragen waarom net hij en niet zijn buur levend uit het wrak is gekomen. Je krijgt altijd wel een antwoord, met vaak een grote rol voor diep geloof in 'iets'. Maar daar zou ik niet te veel levensfilosofieën op bouwen. Bij bedrijfskunde mag dat al te vaak wel. VAN DYCK HOUDT zorgvuldig rekening met de kritiek, beschrijft ook uitgebreid de nederlagen van zijn 'eeuwige' helden, maar bovenal durft hij een beroep te doen op wat elke rechtgeaarde ervaringsdeskundige moet verfoeien: een degelijke theorie. De feiten voor zichzelf laten spreken en daar dan achteraf een mooi etiket op plakken, is dat niet beter? Is dat niet objectiever? Zonder vooroordelen naar de realiteit kijken? Bedrijven zijn multidimensionele entiteiten, die op elke dimensie (klanten, medewerkers, plannen, charismatische leiders, producten, ingenieurs, de partner van de stichter, kredietverstrekkers enzovoort) minstens tien indicatoren genereren, en soms zelfs duizenden of miljoenen, zoals bij big data. Laat dan maar eens de feiten voor zichzelf spreken. Kort door de bocht: 99 procent van die boeken supportert voor succes. Je ziet iets en je verklaart het aan de hand van een idee dat je leuk vindt en waarmee je hebt gescoord tijdens je trainingen. Olifanten, breinhelften, yin en yang, (melk)koeien, dynamic capabilities, gekleurde oceanen, donuts of klavertjes vijf. Persoonlijk verkoos ik altijd aapjes. ELKE DEGELIJK GESCHOOLDE denker weet dat je zonder goed onderbouwde concepten geen valide, grootschalige studie kunt ondernemen. En parallellen met het dierenrijk zijn geen onderbouwde theorie. Je kunt natuurlijk altijd je boek over succesvolle coaching ophangen aan noties als 'inspirerende persoonlijkheid' of 'authentieke provocatie', of aan de recente onnozelheden zoals het gedrag van een kat of een kikker doorslikken. Van Dyck kiest voor een stokoud sociologisch model. Je moet het maar durven. Daar moet je echt lef voor hebben. En het gemak waarmee hij nét op die manier enkele onnozele mythes doorprikt, is onthutsend. Nee, het is niet allemaal een kwestie van een grote charismatische leider, je bent beter een slimme tweede of derde (of vijfde) dan een naïeve eerste. Soms word je toch beloond voor degelijk diepgravend werk. Oef. De auteur is professor-emeritus aan de Vlerick Business School Volg mij op www.marcbuelens.com