Overmorgen zaterdag 15 december betogen de vakbonden. ACV, ABVV en ACLVB hebben drie slagzinnen voor deze betoging: voor een sterke en federale sociale zekerheid, voor meer koopkracht en voor een meer evenwichtige fiscaliteit.
...

Overmorgen zaterdag 15 december betogen de vakbonden. ACV, ABVV en ACLVB hebben drie slagzinnen voor deze betoging: voor een sterke en federale sociale zekerheid, voor meer koopkracht en voor een meer evenwichtige fiscaliteit. De vakbonden slaan in hun eisenprogramma de bal meer dan een keer mis. Neem de koopkracht. De prijzen stijgen, dus moet de koopkracht behouden worden door loonaanpassingen, luidt de redenering. Zo pleit het ACV voor hogere minimumlonen en uiteraard voor het behoud van de index. Dit is te kort door de bocht. In een studie van november vorig jaar argumenteren Vincent Bodart en Jean Hindriks van de UCL dat een stijging van de prijzen niet altijd gecompenseerd moet worden door een verhoging van de koopkracht. Consumenten passen immers hun gedrag aan de hogere prijzen aan. Ze zoeken naar alternatieven. Wordt benzine duurder, dan wordt het openbaar vervoer een alternatief. Toegegeven, deze studie werd geschreven voor de NMBS besliste zijn uurregeling te herschrijven. Er is wél een probleem wanneer de consument weinig of geen mogelijkheden tot substitutie heeft. Als de stookoliefactuur stijgt, dan kan een arm gezin dat enkel opvangen door elders te besparen. Voor dit soort situaties kan de overheid specifieke maatregelen nemen. Een directe tussenkomst in de verwarmingskosten voor arme gezinnen bijvoorbeeld. De vakbonden pleiten ook voor een actief optreden tegen onverantwoorde prijsstijgingen. Dat is een ingreep in de markteconomie, die dateert van andere tijden en regimes waar niemand naar verlangt. De markt leidt, niet altijd onmiddellijk maar uiteindelijk wel, tot een juiste prijszetting. Enkel monopolievorming (wat door liberalisering tegengegaan kan worden, maar ironisch genoeg zijn de vakbonden daar nooit voorstander van geweest) en kartelvorming zorgen voor hogere dan verantwoorde prijzen. Ten tweede pleiten de vakbonden voor een sterke en federale sociale zekerheid. Het eerste is logisch, maar een federale sociale zekerheid is puur ideologisch. Waarom zou een regionalisering van delen van de sociale zekerheid niet leiden tot meer efficiëntie? En meer efficiëntie betekent meer beschikbare financiële middelen om bijvoorbeeld lage uitkeringen te verhogen (wat wel een terechte eis is van de vakbonden). De vakbonden pleiten ook voor een evenwichtige fiscaliteit. Ze hebben schrik dat de nieuwe regering (als die van oranje-blauwe signatuur is) te vriendelijk zal zijn voor de ondernemingen. Er mogen voor de vakbonden geen verdere lastenverlagingen komen. Vakbondsleiders à la Luc Cortebeeck (ACV) en Rudy De Leeuw (ABVV) formuleren dat beleefd. Andere van iets mindere signatuur doen dat niet. "Het patronaat heeft genoeg gekregen", was niet zolang geleden te horen bij een socialistische vakbondstopper. Klinkt licht negentiende-eeuws. Nochtans zorgen lastenverlagingen (op het niveau van de sociale bijdragen) voor meer werkgelegenheid. En zijn de vakbonden daar geen voorstander van? Lezen de vakbonden geen internationale rapporten? Er verschijnt geen onderzoek over internationale competitiviteit of België krijgt slechte punten. Er zijn tal van academische studies die een negatieve band aantonen tussen een hoge fiscale druk en de werkgelegenheid. Geen erg, de productiviteit ligt hier hoger, argumenteren de vakbonden. Dat is een pervers argument. Want de vakbonden klagen ook vaak - en terecht - over de hoge werkstress. Natuurlijk is het hier stresserend werken als je door een hoog werkritme de hoge loonkosten moet compenseren. Je kunt niet koud en warm tegelijk blazen, heren en dames van de vakbond. Veel eisen van de vakbonden zijn economisch sluitend te weerleggen. Zonder probleem. Of toch wel? De wereld wordt niet geregeerd door economische wetmatigheden alleen. Je kunt gelijk hebben, maar je moet ook gelijk krijgen. Onze maatschappij is gebaseerd op een sociale verstandhouding. De doorsnee burger moet zich blijven vinden in ons maatschappelijk model. Hij moet de hoger geciteerde economische wetmatigheden ook begrijpen en aanvaarden. Op politiek vlak hebben velen al langer voor de foertstem gekozen. Op maatschappelijk vlak mag dit niet gebeuren. De burgers van dit land moeten zich blijven engageren voor het sociaal-economische project dat wordt uitgetekend. Indien ze dat niet meer doen, heeft dat nefaste maatschappelijke en economische gevolgen. De vakbonden hebben momenteel vrij spel, nu er geen regering is die een wervend politiek en maatschappelijk project kan ontwikkelen. Het is jammer dat ze puur inspelen op begrijpelijke reflexen van de achterban. Uiteraard moet de vakbond de rechten van die achterban verdedigen. Als zij niet opkomen voor koopkracht, wie dan wel? Maar ze moeten daarbij ook oog hebben voor de sociale consensus, en openingen durven maken voor creatieve oplossingen. Of overschatten we de macht van de vakbond? Recente sociale conflicten tonen aan dat hij steeds meer de greep verliest over zijn achterban. Het is erg als de vakbonden om hun leden te behouden populistischer worden. de auteur is hoofdredacteur. Guido Muelenaer