Woningen die gedeeltelijk voor beroeps- en gedeeltelijk voor privé-doeleinden worden gebruikt, blijven een fiscaal probleem. Stel u even voor dat de bouw van zo'n woning gedeeltelijk gefinancierd wordt met eigen geld, en gedeeltelijk met een lening. Welk gedeelte is er dan gefinancierd met het leenkapitaal?
...

Woningen die gedeeltelijk voor beroeps- en gedeeltelijk voor privé-doeleinden worden gebruikt, blijven een fiscaal probleem. Stel u even voor dat de bouw van zo'n woning gedeeltelijk gefinancierd wordt met eigen geld, en gedeeltelijk met een lening. Welk gedeelte is er dan gefinancierd met het leenkapitaal?Beroepskosten. Die vraag is belangrijk. Als het leenkapitaal gediend heeft om het privé-gedeelte te financieren, dan zijn de intresten van de lening níét als beroepskosten aftrekbaar. Ze kunnen dan weliswaar afgetrokken worden binnen het stelsel van de 'onroerende' inkomsten. Maar die aftrek is meestal veel minder interessant dan een aftrek als beroepskosten. Heeft de lening betrekking op het beroepsgedeelte van de woning, dan staat niets de aftrek als beroepskosten in de weg. In het verleden is de administratie er altijd van uitgegaan dat de belastingplichtige de intresten pas als beroepskosten kan aftrekken, wanneer hij duidelijk kan bewijzen dat de lening werkelijk heeft gediend om het beroepsmatige gedeelte van zijn woning te financieren. In de rechtspraak was men doorgaans iets minder streng en ging men ervan uit dat de belastingplichtige de manier van financieren in beginsel vrij kan kiezen. Maar als de belastingplichtige volhoudt dat de lening exclusief voor het beroepsgedeelte heeft gediend, dan moet hij dat - ook volgens de rechtspraak - wel op de een of andere manier aannemelijk maken. Milde Reynders. Enkele maanden geleden verraste minister van Financiën Didier Reynders ( MR) vriend en vijand door plots een nog milder standpunt in te nemen: als de belastingplichtige niet kan aantonen voor welk gedeelte van de woning zijn lening werd gebruikt, dan mag de lening bij voorrang geacht worden gediend te hebben voor het beroepsgedeelte. Uit een circulaire van 29 april 2002 blijkt dat de administratie het ministeriële standpunt bijtreedt. In die circulaire preciseert de administratie nog dat het nieuwe standpunt niet alleen geldt bij de aankoop of de bouw van een gemengd gebruikte woning, maar 'vanzelfsprekend' ook wanneer een gemengd gebruikt gebouw verbouwd wordt en er voor die verbouwing een lening wordt aangegaan. Belangrijk om te weten is nog dat de administratie het nieuwe standpunt "onmiddellijk" van toepassing acht. Bovendien geldt het ook ten aanzien van alle bestaande geschillen, ongeacht de stand van de procedure. Dat betekent bijvoorbeeld dat alle huidige bezwaarschriften die op een dergelijke betwisting slaan, in het voordeel van de belastingplichtige moeten worden opgelost. En al evenzeer dat de administratie in het voordeel van de belastingplichtige een punt moet zetten achter alle betwistingen die momenteel voor de hoven en rechtbanken uitgevochten worden. Voorzichtigheid geboden. Hieruit volgt echter niet noodzakelijk dat belastingplichtigen in álle gevallen gelijk zullen krijgen. Wie het standpunt van Reynders aandachtig leest, leert dat een lening pas dan "geacht" mag worden voor het beroepsmatig gedeelte van een gemengd gebruikte woning te hebben gediend, wanneer de belastingplichtige "onmogelijk" kan aantonen wat de werkelijke bestemming van de lening is geweest. En dus niet wanneer die werkelijke bestemming wél aantoonbaar is, of zonder meer vaststaat. Beeld u even in dat uit de leningsakte en uit de andere stukken van het dossier onbetwistbaar blijkt dat de lening uitsluitend diende om werken aan het privé-gedeelte van uw gemengd gebruikte woning te financieren. En dat u later nog werken heeft uitgevoerd aan het beroepsmatig gedeelte van uw huis, maar voor die werken is geen geleend kapitaal gebruikt. Het valt te vrezen dat u zich in dat geval moeilijk op het nieuwe administratieve standpunt zult kunnen beroepen. Is de conclusie dan dat u voortaan maar beter zo min mogelijk bewijzen verzamelt? Ook dat is niet zeker. Want als er morgen toch nog een betwisting ontstaat, en u moet het voor de rechtbank gaan uitleggen, is het absoluut niet uitgesloten dat de rechtbank bewijzen vraagt. Intresten zijn immers krachtens de wet pas als beroepskosten aftrekbaar wanneer u als belastingplichtige het beroepsmatige karakter ervan aantoont. Daar kan geen ministerieel standpunt afbreuk aan doen.Kortom, het nieuwe ministeriële standpunt is welgekomen om een aantal betwistingen op te lossen. Maar aangezien voorzichtigheid ook op fiscaal gebied een grote deugd is, doet u er wellicht goed aan om toch maar zoveel mogelijk bewijzen te verzamelen dat uw lening wel degelijk voor beroepsdoeleinden diende. Het kan u lange discussies besparen.Jan van Dyck [{ssquf}]De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Verzamel zoveel mogelijk bewijzen dat uw lening voor beroepsdoeleinden diende. Het kan u lange discussies besparen.