Wat maakt die duizend Trends Gazellen, die in de periode 1997 tot 2001 de sterkste groeiscores konden voorleggen op het vlak van omzet/toegevoegde waarde, cashflow en tewerkstelling, zo uniek?
...

Wat maakt die duizend Trends Gazellen, die in de periode 1997 tot 2001 de sterkste groeiscores konden voorleggen op het vlak van omzet/toegevoegde waarde, cashflow en tewerkstelling, zo uniek? Daarover brak de studiedienst van het Vlaams Economisch Verbond ( VEV) zich de voorbije zomer het hoofd. Geen sinecure. De cijferanalyse had veel weg van een zoektocht naar de Heilige Graal. Toch rolden de volgende waardevolle cijfers uit de computer: Gazellen, zo blijkt, netwerken meer om talent op te vissen (48 % tegenover 44 %), om sneller door te breken op internationale markten (39 % tegen 34 %) of om technologie te ontwikkelen (48 % tegen 41 %). Ze doen minder een beroep op derden voor de financiering van hun groei (36 % tegen 42 %). Ze zijn minder gefixeerd op het behoud van de controle (33 % tegen 38 %). Zijn die gegevens voldoende om hun groeisucces te verklaren? Op het eerste gezicht niet. Het verschil met wat gewone bedrijven doen - zo blijkt uit die percentages - is niet bijster groot. Toch slagen de Gazellen erin om significant betere resultaten voor te leggen dan het doorsnee Vlaamse bedrijf. Neem nu productiviteit. De middelste waarde (of mediaan) van de duizend snelste groeiers op het gebied van toegevoegde waarde per werknemer ligt op 62.000 euro. Welke score haalt uw bedrijf? Als uw werknemers of collega's elk een toegevoegde waarde van meer dan 52.000 euro creëren, dan mag u zich gelukkig prijzen: uw bedrijf bevindt zich in de middenmoot van de Vlaamse economie. Maakt u zich echter geen illusies: dit is nog altijd 17 % minder goed dan wat de Gazellen presteren. Ook op het vlak van rentabiliteit blinken de Gazellen steevast uit. Een mediaan van 18,6 % tegenover 7,1 % voor het doorsnee Vlaamse bedrijf. Gazellen zijn dus dubbel zo rendabel als gewone bedrijven. Wat valt nog meer op: snelgroeiende Gazellen hoeven niet per se jong of operationeel te zijn in blitse en kennisintensieve sectoren. De gemiddelde leeftijd is zeventien jaar (jawel, er is nog hoop voor jonge bedrijven met ambitie) en één derde is actief in traditionele marktsegmenten zoals voeding of metaalproductie. "Niet zozeer de sector dan wel het bedrijf zelf staat borg voor het succes," stelt Antoon Soete vast, adjunct-kabinetschef van Vlaams minister van Economie Patricia Ceysens ( VLD). En hij leidt er meteen een conclusie uit af: de overheid moet minder een sectorbeleid voeren en meer de focus leggen op de ondernemingen met potentieel (zie blz. 62). Boeiende gespreksstof voor de ondernemingsconferentie die morgen van start gaat. Maar daarmee is nog steeds niet duidelijk wat die duizend snelle groeiers zo succesvol maakt. Wellicht omdat die unieke kenmerken niet kwantificeerbaar zijn. Ze zijn eerder vluchtig, efemeer en - zoals Kjell Nordström, onderzoeker aan de Stockholm School of Economics omschrijft (zie blz. 68) - onderhevig aan de snelheid waarmee kennis veroudert, waarmee smaken veranderen, waarmee nieuwe markten ontstaan en opnieuw verdwijnen. Twee sleutelwoorden blijven overeind voor bedrijven die het verschil willen maken: focus op wat je het beste kunt en netwerk. "U jaagt, ik kook en dan ruilen we," zegt Nordström. "En je kunt altijd verder specialiseren. Er staat geen limiet op, het is een natuurlijke evolutie in de richting van meer welvaart."Dit spontane proces zou dé leidraad moeten zijn voor werkgevers en beleidsmakers op de ondernemingsconferentie. Alleen is die politiek zo moeilijk verkoopbaar. Lees er de titel op bladzijde 68 op na en u zult begrijpen waarom. Piet DepuydtTwee sleutelwoorden blijven overeind voor bedrijven die het verschil willen maken: focus op wat je het beste kunt en netwerk.