De centrale banken van de landen die deelnemen aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) geven op 1 januari 1999 het monetaire heft door aan de Europese Centrale Bank ( ECB). De beleidsbeslissingen binnen die ECB zullen tot stand komen tussen de vertegenwoordigers van al die landen. Toch bestaat de kans dat, zeker in de aanvangsjaren, de verschillende nationale directeurs in de eerste plaats de belangen van hun eigen land zullen verdedigen. Een vlotte, consistende besluitvorming ...

De centrale banken van de landen die deelnemen aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) geven op 1 januari 1999 het monetaire heft door aan de Europese Centrale Bank ( ECB). De beleidsbeslissingen binnen die ECB zullen tot stand komen tussen de vertegenwoordigers van al die landen. Toch bestaat de kans dat, zeker in de aanvangsjaren, de verschillende nationale directeurs in de eerste plaats de belangen van hun eigen land zullen verdedigen. Een vlotte, consistende besluitvorming ligt dan helemaal niet voor de hand, zo kan onder meer worden afgeleid uit een studie van economen van het Internationaal Monetair Fonds ( IMF). In hun recent IMF working paper onderzoeken Ramana Ramaswamy en Torsten Sloek welke impact een restrictief monetair beleid op de economische groei heeft. Zij deden hun oefening voor twaalf EU-landen en komen tot de conclusie dat deze groep netjes in twee pelotons kan worden onderverdeeld. In groep 1 vinden we Duitsland, Nederland, België, Engeland, Oostenrijk en Finland terug, terwijl Frankrijk, Italië, Spanje, Zweden, Denemarken en Portugal groep 2 bevolken. Voor groep 1 bereikt de groeikrimp pas na 11 à 12 kwartalen zijn hoogtepunt. Hij bedraagt op dat ogenblik 0,7 à 0,9 %-punt. Voor de landen in groep 2 komt de groeivertraging veel sneller, namelijk na 5 à 6 kwartalen. Tegelijk is ze ook minder diepgaand, namelijk een groeikorting van 0,4 à 0,6 %-punt. Zeer opmerkelijk is de samenstelling van de twee groepen. Ramana Ramaswamy : "De tweedeling die wij vinden, komt niet overeen met het klassieke onderscheid tussen de Europese kernlanden enerzijds en de periferische landen anderzijds. Zeker de aanwezigheid van Engeland en Finland in groep 1 en die van Frankrijk en Denemarken in groep 2 wekt verbazing. We onderzoeken verder welke determinanten aan de oorspong liggen van deze onverwachte opsplitsing. Voorlopig melden zich alleen verschillen in de structuur van zowel de kredietmarkten als de arbeidsmarkten als enigszins valabele kandidaten."De bevindingen van de twee IMF-economen werpen natuurlijk ook een bepaald licht op de mogelijkheden tot ontwikkeling van een consensusvisie binnen de ECB. Ramaswamy : "Zelfs indien op een bepaald ogenblik alle EMU-lidstaten zich op hetzelfde punt in de conjunctuurcyclus bevinden, dan nog zullen de specifieke behoeften inzake monetair beleid van bijvoorbeeld Duitsland en Frankrijk verschillen. Deze vaststelling betekent helemaal niet dat een Europees gestuurd monetair beleid gedoemd is vast te lopen, maar wel dat er aan elke beleidsactie voor bepaalde individuele landen extra economische kosten vasthangen."RAMANA RAMASWAMY (IMF) Aan een eenvormig monetair beleid zijn serieuze kosten verbonden.