Hogescholen en universiteiten kunnen op eigen houtje de inschrijvingsgelden niet optrekken. Daarvoor is een decreet nodig. Maar ze gebruiken het wel als drukkingsmiddel in hun memorandum aan de volgende Vlaamse regering. Zeggen dat de toegang voor hoger onderwijs duurder dreigt te worden, zet politici die pokeren met verkiezingsbeloften onder druk. In essentie vragen universiteiten en hogescholen gewoon meer geld en meer autonomie. Is de nood dan zo hoog?
...

Hogescholen en universiteiten kunnen op eigen houtje de inschrijvingsgelden niet optrekken. Daarvoor is een decreet nodig. Maar ze gebruiken het wel als drukkingsmiddel in hun memorandum aan de volgende Vlaamse regering. Zeggen dat de toegang voor hoger onderwijs duurder dreigt te worden, zet politici die pokeren met verkiezingsbeloften onder druk. In essentie vragen universiteiten en hogescholen gewoon meer geld en meer autonomie. Is de nood dan zo hoog? In 2008 keurde het Vlaams Parlement een decreet goed dat de financiering van het hoger onderwijs -- ruim 1,2 miljard euro -- hertekende. Dat decreet heeft als verdienste dat er voor de onderwijs- en de onderzoeksopdracht in het hoger onderwijs een aparte financiering kwam. Het gevolg is een rist ingewikkelde berekeningsregels. De onderwijsfinanciering van een universiteit is gekoppeld aan het aantal verzamelde studiepunten dat studenten er behalen. Het aantal wetenschappelijke artikels dat de proffen en assistenten publiceren, is dan weer een belangrijke motor voor de onderzoeksbudgetten van de universiteit. De regeling vergrootte de publicatiedruk voor het academisch personeel. Tegelijk is de jongste twintig jaar het aantal studenten aan de Vlaamse universiteiten met de helft toegenomen, terwijl het aantal docenten en professoren zogoed als stagneert. Natuurlijk is de toename van het aantal internationaal erkende onderzoekers -- het aantal postdocs met een beurs vervijfvoudigde in twee decennia -- een goede zaak. En natuurlijk zijn investeringen in onderzoek en innovatie van levensbelang voor de toekomst van de Vlaamse economie. Maar tegelijk moeten we beseffen dat een wanverhouding tussen het aantal studenten en het aantal docenten onvermijdelijk leidt tot kwaliteitsverlies. Troeven moeten we koesteren, niet verkwanselen. Het heeft geen zin om de drieprocentnorm voor onderzoek en ontwikkeling na te streven als het onderwijs daaronder lijdt. De belangrijkste grondstof voor de welvaart in Vlaanderen is de beschikbaarheid van goedopgeleide kenniswerkers. Een inhaalbeweging in de basisfinanciering van het hoger onderwijs moet daar rekening mee houden. Al in november 2013 hield de commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement daarover een hoorzitting. Aanleiding was een petitie van de Actiegroep Hoger Onderwijs. Meer dan 5000 academici vroegen toen om het financieringsdecreet te herzien. Het is geenszins onzinnig om ook het inschrijvingsgeld ter discussie te stellen. Wie een jaar hogere studies wil doen, betaalt daarvoor in Vlaanderen ongeveer 600 euro. Onze Franstalige landgenoten moeten daar 840 euro voor neertellen. In Nederland kost een entreeticket voor een jaar hoger onderwijs al snel 1500 euro. Als de Vlaamse universiteiten het inschrijvingsgeld op het niveau van hun Franstalige collega's brengen, levert dat 39 miljoen euro per jaar op. Dat volstaat misschien niet om het academische verlanglijstje in het memorandum in te vullen, maar het maakt de impact op de begroting wel wat lichter. ROELAND BYLHet is geenszins onzinnig om ook het inschrijvingsgeld ter discussie te stellen.