De auteur is hoofddocent aan de Universiteit Gent en partner van de Vlerick Leuven Gent Management School.
...

De auteur is hoofddocent aan de Universiteit Gent en partner van de Vlerick Leuven Gent Management School. Reacties: marc.buelens@trends.beEr worden blijkbaar 3000 managementboeken per jaar gepubliceerd. Managementboeken zijn uiteraard maar een klein deeltje van alle boeken die worden geschreven. Om de dertig seconden wordt er in de wereld een nieuw boek gedrukt. Laten we ons echter even beperken tot managementboeken. Dat fenomeen is op zich al de moeite waard om er een boek over te schrijven. Sorry, daar zijn al boeken over geschreven. En er zijn uiteraard ook al boeken die andere managementboeken samenvatten. Ik wacht vol spanning op het boek dat al die samenvattingen samenvat. Wie schrijft toch al die managementboeken? De grootste groep wordt geschreven door consultants. Dat voorspelt al niet veel goeds. Want waarom zouden die dames en heren het achterste van hun tong laten zien? Waarom zouden ze hun wijsheid, hun duurbetaalde inzichten zomaar in een boek te grabbel gooien? Af en toe is er een consulent die plots uit de biecht klapt en de meest afschuwelijke horrorverhalen opdiept over hoe het er echt aan toeging. Denk maar aan het onvolprezen boek van Paul Verhaeghe (ex-McKinsey), één de beste Vlaamse managementboeken ooit geschreven: Sluiers over Corporate. Om duimen en vingers bij af te likken, al was het maar om het zinnetje op bladzijde 5 ("Ze deed langzaam haar strakke nylon naar beneden"). Sex and the city and the consultant. Maar dit soort boeken zijn uiteraard een vorm van rituele zelfmoord. Chirurgen schrijven geen boeken over hun cynische spelletjes rond de operatietafel, piloten niet over hun gekke weddenschappen, chinese restaurants schrijven niet over wat er nu echt op je tafel komt en tot voor kort schreven wielrenners ook geen boeken over doping. Consultants schrijven bijna steeds boeken als visitekaartje. Boeken bewijzen dat ze belangrijke klanten hebben en dat ze heel veel - zo beweren ze tenminste - heel veel van hen hebben geleerd. Boeken bewijzen ook dat ze hard hebben nagedacht, dat ze originele ideeën hebben, dat ze zelf model kunnen staan voor hun eigen adviezen. In Nederland is Berenschot (vooral via Steven ten Have) er aardig in geslaagd enkele knappe boeken op de markt te brengen. Het beroemdste boek dat (mede) is geschreven door een consultant, is 'Business Process Reegineering'. James Champy werkte toen voor CSE, dat door het succes van het boek zijn omzet verviervoudigd zag. Een tweede groep auteurs zijn trainers. Zij hebben toch al vele transparanten, teksten en aantekeningen en hebben heel veel, zo beweren ze tenminste, van hun deelnemers geleerd. Boeken door trainers zijn meestal duidelijk. Noem ze praktische en bruikbare 'hoe doe je het'-boekjes. Bij de betere soort hoor je zo de lesgever. In deze boekjes vind je de lijstjes, de tekeningen en schema's. Meestal zijn die wel ergens van gepikt, maar dat beseft een aantal trainers niet eens. Of als ze het beseffen, hebben ze enkele woorden veranderd en leven ze in de zalige overtuiging dat ze al die dingen zelf hebben gevonden. Trainers schrijven boeken om twee redenen. Vooreerst zijn het zelf ook consultants. Daarnaast zijn het vaak optimistische wereldverbeteraars, predikanten, die het jammer vinden dat slechts enkele tientallen onwetenden van hen kunnen leren. Via het boek kunnen het dan tienduizenden worden, zo denken ze. In de praktijk natuurlijk worden die boeken vooral uitgedeeld of verkocht tijdens de training. Een derde groep die zich geroepen voelt om managementboeken te schrijven, zijn uiteraard managementprofessoren. Maar zij weten dat boeken over hun research toch niet verkopen. Bovendien worden zij in hun evaluatiesystemen niet beoordeeld op basis van boeken, maar op basis van artikels in internationaal erkende tijdschriften. In de praktijk wil dat zeggen dat de meeste professoren die managementboeken schrijven dit doen omdat ze ofwel (al dan niet in het geniep) consultant, wereldverbeteraar of trainer zijn. Een vierde groep zijn de managers zelf. Op rijpere leeftijd, niet gehinderd door nederigheid of een te klein ego, schrijven ze over zichzelf. Ze hebben in hun carrière meestal maar één fout gemaakt: te laat geleerd wat ze later hebben geleerd. Hoe hebben ze geleerd? Door één zeer wijze mentor (lees: dat ben ik nu voor u allen), door één fatale vergissing (waar ze uiteraard geen enkele verantwoordelijkheid voor droegen) en door een eindeloze reeks successen. De sleutel van hun succes: hou uw geest helder, wees altijd eerlijk, omring u met de beste medewerkers, geef niet te snel op en hou van familie/ god/natuur/vaderland. Deze dames en heren zijn meestal schitterende managers geweest, en (dus?) slechte schrijvers. Als ze eerlijk zijn, verschijnt de spookschrijver op de omslag. Als ze niet eerlijk zijn, doen ze alsof ze het zelf hebben geschreven (en vind je in een kleine voetnoot de naam van een journalist die heeft meegewerkt). De vijfde groep zijn de journalisten. Heel vaak schrijven zij heel goede managementboeken. Zij kunnen schrijven, weten waar de relevante informatie zit en schrijven meestal niet om een andere reden dan om gelezen te worden. In deze snel veranderende omgeving houden zij het best stand. Tenzij ze van hun krant of tijdschrift te weinig tijd krijgen. De zesde groep zijn al de uitzonderingen op de vorige groepen. Die schrijven de allerbeste boeken. Maar hun soort is heel dun gezaaid. Marc Buelens