In 1923 liet de Franse industrieel Henry Frugès de beroemde architect Le Corbusier een serie huizen ontwerpen voor zijn arbeiders. In de buurt van zijn fabrieken verrezen modernistische iconen: strakke betonnen 'blokkendozen' met rechthoekige ramen, platte daken en kale wanden. Le Corbusier bracht een ode aan de industrie en de technologie. Meteen kon hij ook komaf maken met folkloristische kitsch. Maakten die cleane huizen de arbeiders trots en gelukkig? Dat is lang niet zeker. Al gauw timmerden ze schuine daken, luiken en hekk...

In 1923 liet de Franse industrieel Henry Frugès de beroemde architect Le Corbusier een serie huizen ontwerpen voor zijn arbeiders. In de buurt van zijn fabrieken verrezen modernistische iconen: strakke betonnen 'blokkendozen' met rechthoekige ramen, platte daken en kale wanden. Le Corbusier bracht een ode aan de industrie en de technologie. Meteen kon hij ook komaf maken met folkloristische kitsch. Maakten die cleane huizen de arbeiders trots en gelukkig? Dat is lang niet zeker. Al gauw timmerden ze schuine daken, luiken en hekken op en rond de huizen. Op de kale muren papten ze bloemetjesbehang. Alain de Botton (1969) beschrijft de evolutie van die nieuwerwetse arbeidershuizen in De architectuur van het geluk. De populaire, in Zürich geboren en in Londen getogen filosoof heeft ook een verklaring paraat: de meeste arbeiders waren geronseld in afgelegen boerendorpen en hadden heimwee. Bovendien wilden ze na de zware werkdag in de fabriek niet herinnerd worden aan "de dynamiek van de moderne industrie." Daarom verbouwden ze hun identieke kubussen tot volkomen van elkaar verschillende, gepersonaliseerde onderkomens. Besluit De Botton: "Net als de befaamde modernist, waren de fabrieksarbeiders gecharmeerd van een stijl die de hoedanigheden opriep waarmee hun eigen leven onvoldoende was toegerust." Met die conclusie zijn we letterlijk en figuurlijk beland in het centrale betoog van De Bottons nieuwe boek. Met tal van voorbeelden toont hij aan dat de architectuur en het interieur van een woning doorgaans een uitdrukking vormen van het karakter dat de bewoners willen hebben. Toon me uw woonstijl en ik zeg u wie u bent, gaat dus niet op, tenzij u met omkering werkt. Een streng geordend, minimalistisch interieur, bijvoorbeeld, wordt vaak gekozen door iemand die druk-druk en chaotisch leeft. Voor de chaos in zijn bestaan zoekt de bewoner compensatie in een woning waarin hij rust, orde en evenwicht vindt. Wonen is ook politiek. Dat gaf Le Corbusier al aan, net als zovele modernisten: weg van de kneuterigheid. Zeker bij openbare gebouwen geldt de stelling dus wél: toon me uw bouwstijl en ik zeg u welke politiek of ideologie in het land heerst. Ook nu weer maken voorbeelden alles duidelijk - en soms ook juist niet duidelijk. De Botton laat zich immers nogal eens meeslepen door zijn erudiete discours en in die gloed van vaak briljante uiteenzettingen schaamt hij zich niet eens voor een tegenspraak. Al die enthousiaste exposés en geestige conclusies monden ook wel eens uit in gezwam. Als briljant gezwam bestaat, dan heeft Alain de Botton er beslist een modieus patent op - al is dat als eindoordeel over zijn nieuwe boek wel wat te streng. Alain de Botton, De architectuur van het geluk. Atlas, 307 blz., 19,90 euro. Luc De Decker