Dat iemand op fiscaal gebied als persoon ten laste kan worden beschouwd, heeft een rechtstreekse invloed op de hoogte van de belastingfactuur. Een persoon ten laste geeft immers recht op een verhoging van het belastingvrije minimum van de belastingplichtige die hem ten laste heeft. De mate waarin het belastingvrije minimum wordt verhoogd, verschilt naargelang het om kinderen dan wel andere personen ten laste gaat.
...

Dat iemand op fiscaal gebied als persoon ten laste kan worden beschouwd, heeft een rechtstreekse invloed op de hoogte van de belastingfactuur. Een persoon ten laste geeft immers recht op een verhoging van het belastingvrije minimum van de belastingplichtige die hem ten laste heeft. De mate waarin het belastingvrije minimum wordt verhoogd, verschilt naargelang het om kinderen dan wel andere personen ten laste gaat. Een enig kind geeft voor het aanslagjaar 2003 recht op een verhoging met 1160 euro. Twee kinderen geven voor hetzelfde aanslagjaar recht op een vermeerdering met 3000 euro. Bij drie kinderen stijgt die verhoging naar 6720 euro, en bij vier kinderen naar 10.860 euro. Voor elk bijkomend kind boven het vierde wordt het belastingvrije minimum extra verhoogd met 4150 euro. Andere personen ten laste geven slechts recht op dezelfde verhoging als voor een enig kind. Voor het aanslagjaar 2003 gaat het dus om 1160 euro per andere persoon ten laste. Voorwaarden. Niet alleen kinderen kunnen worden beschouwd als persoon ten laste. Het begrip kan ook betrekking hebben op ascendenten (ouders, grootouders...), zijverwanten tot en met de tweede graad (broers en zussen), en ten slotte personen van wie de belastingplichtige als kind zelf volledig of hoofdzakelijk ten laste is geweest. Met die laatste categorie bedoelen we iemand die pleegouder van de belastingplichtige is geweest en nu zelf ten laste van het - voormalige - pleegkind is. Er zijn ook nog drie bijkomende voorwaarden. De persoon die u als ten laste in aanmerking wilt laten komen, moet op één januari van het aanslagjaar deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige. Hij mag van de belastingplichtige geen bezoldigingen ontvangen die bij hem aftrekbare beroepskosten zijn. En de persoon ten laste mag geen bestaansmiddelen hebben die een bepaalde grens overschrijden. Hervorming. Over die grens is de jongste jaren veel te doen geweest. Hij werd gewijzigd bij de hervorming van de personenbelasting. Ten eerste werd de limiet verhoogd van de toegelaten bestaansmiddelen ten aanzien van niet-gehandicapte kinderen die ten laste zijn van een belastingplichtige die alleen wordt belast (daartoe behoren, onder meer, de alleenstaanden, en de niet langer samenwonende gehuwden vanaf het jaar dat volgt op het jaar van de feitelijke scheiding). Bovendien werd beslist dat bij de bestaansmiddelen geen rekening meer moet worden gehouden met onderhoudsuitkeringen die ten aanzien van kinderen worden uitbetaald, in de mate dat die een bepaalde grens niet overschrijden. Het basisbedrag van die vrijstelling werd vastgesteld op 1800 euro. Voor het aanslagjaar 2003 bedraagt het, aangepast aan het indexcijfer, 2410 euro. Enkele parlementsleden vonden blijkbaar dat de hervormingen nog niet ver genoeg gingen. Zij dienden bij de Kamer een voorstel in om opnieuw te sleutelen aan de grens van de toegelaten bestaansmiddelen. Dat voorstel werd inmiddels in de Kamer goedgekeurd en is in de Senaat niet geëvoceerd. Dit wil zeggen dat de wijziging definitief is. Onderscheid. Om de wijziging juist in te schatten, moet u weten dat op het gebied van de toegelaten bestaansmiddelen een onderscheid wordt gemaakt tussen drie groepen van personen ten laste. De kleinste groep wordt gevormd door de gehandicapte kinderen van belastingplichtigen die alleen worden belast. De tweede groep wordt gevormd door de niet-gehandicapte kinderen, ook weer van belastingplichtigen die alleen worden belast. En de derde - en residuaire - groep bestaat uit alle andere personen ten laste (ongeacht of het om kinderen, dan wel om ascendenten of zijverwanten tot de tweede graad gaat). Bij de hervorming van de personenbelasting gingen de toegelaten bestaansmiddelen van de tweede groep omhoog. Niet-gehandicapte kinderen van personen die alleen worden belast mogen voor het aanslagjaar 2003 een bedrag van 3480 euro aan nettobestaansmiddelen hebben. Aan de grenzen die ten aanzien van de twee andere groepen van toepassing zijn, werd toen niet geraakt. Definitief. Maar dat verandert nu. Krachtens het inmiddels definitief geworden wetsvoorstel stijgt de grens voor de eerste groep - de gehandicapte kinderen van belastingplichtigen die alleen worden belast - van (ongeïndexeerd) 3000 naar 3300 euro. Aangepast aan de evolutie van het indexcijfer betekent dit dat de grens voor het aanslagjaar 2003 uitkomt op 4420 euro. En ook voor de derde groep - kinderen die ten laste zijn van een persoon die niet alleen wordt belast, en alle andere personen ten laste - gaat het plafond omhoog. Het stijgt van (ongeïndexeerd) 1500 naar 1800 euro. Aangepast aan de evolutie van het indexcijfer wil dit zeggen dat kinderen en andere personen ten laste die tot deze derde groep behoren, voor het aanslagjaar 2003 (inkomsten van 2002) 2410 euro nettobestaansmiddelen mogen hebben. Dat is 400 euro meer dan in de regeling zoals ze bestond voor de jongste wetswijziging werd goedgekeurd. Bij bestaansmiddelen is netto doorgaans gelijk aan bruto min 20%. Een jobstudent (behorend tot de derde groep) zal dus dit jaar bruto 500 euro meer mogen verdienen dan eerst was verwacht. In oude Belgische franken gaat het om iets meer dan 20.000 frank. Jan Van Dyck [{ssquf}]De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Veel jobstudenten zullen bruto 500 euro meer mogen verdienen.