New York werd de voorbije maanden overspoeld door Europese toeristen met sterke euro's op zak. Ze werden ongetwijfeld aangetrokken door de verhoudingsgewijs lage prijzen. De lage dollar is voor sommigen een soort funny money geworden: de greenback is immers nog maar een schijntje waard in vergelijking met vroegere tijden. En die zijn niet eens zo lang geleden. Veel Europeanen vergeten in al die weelde één ding: een serieuze fooi. Ze betalen het bedrag op de rekening en vinden het wel goed. Maar de New Yorkse dienstverlener vindt dat niet.
...

New York werd de voorbije maanden overspoeld door Europese toeristen met sterke euro's op zak. Ze werden ongetwijfeld aangetrokken door de verhoudingsgewijs lage prijzen. De lage dollar is voor sommigen een soort funny money geworden: de greenback is immers nog maar een schijntje waard in vergelijking met vroegere tijden. En die zijn niet eens zo lang geleden. Veel Europeanen vergeten in al die weelde één ding: een serieuze fooi. Ze betalen het bedrag op de rekening en vinden het wel goed. Maar de New Yorkse dienstverlener vindt dat niet. Obers, taxichauffeurs, schoenpoetsers of pizzabestellers: allemaal verwachten ze een goede fooi van de klant. Geen schijntje van 25 dollarcent of andere muntstukken, maar een tip in biljetten van de Amerikaanse Federale Reserve bank. Het personeel dat het verblijf van de Europeaan zo aangenaam maakt, verwacht een bedrag van 20 % van de rekening. Een andere gangbare formule is twee keer de belasting die op de rekening staat. Europeanen denken dat in de VS belastingen laag zijn. Een grote vergissing. Belastingen zijn hoog tot bespottelijk hoog, vooral in New York. De stad heft belastingen die zelfs het communistische Moskou niet durfde door te voeren. New Yorkse belastingen liggen bijna drie keer zo hoog als buiten de stadsgrenzen. Wie in New York wil zijn, moet betalen. Ook de toerist. Ik heb zo geregeld taferelen gezien met Europeanen die zich van geen fooi bewust waren. In restaurants hoor je een veelheid aan talen. Van Spaans (dat eigenlijk de tweede taal in de VS is) tot Italiaans, Duits, Frans, Nederlands of Zweeds. Dat zijn uiteraard Europese toeristen. Ze eten en drinken tot de tafelbediende met de rekening komt. Stel: ze consumeren voor 100 dollar. Het gezelschap schraapt 100 dollar bijeen en er is altijd wel iemand die een 'fooi' in gedachten heeft. Die fooi komt meestal uit op 5 dollar. Dat is 5 %. De tafelbediende neemt het mapje met het geld en komt direct terug. Hij of zij kent die Europeanen intussen wel en zegt tip please. Het gezelschap kijkt vreemd op en zegt: "Hier, er ligt 5 dollar." De ober laat merken dat het niet genoeg is. Dit is vaak moeilijk verstaanbaar omdat veel New Yorkers mompelen en de Europeaan zich afvraagt wat er wordt gezegd. Maar de toonhoogte is duidelijk: more money, please. Het gezelschap legt vervolgens nog eens 5 dollar op tafel. Ook dat is niet genoeg, want de redelijke fooi zou 15 tot 20 dollar moeten zijn. Pas bij dat bedrag zegt hij of zij: Thank you.De gulle fooicultuur heeft veel te maken met de arbeidsmarkt. Amerika heeft, in tegenstelling tot veel Europese welvaartsstaten, een economie voor eenvoudige diensten. De beloning ligt meestal rond het minimumloon dat nu bijna 10 dollar per uur bedraagt. Het voordeel is dat grote groepen immigranten via deze economische sector in de arbeidsmarkt worden gezogen. Er is geen recht op een uitkering. Er is wel grote kans op een baan. Maar die baan betaalt niet schitterend. Stel de Amerikaanse tafelbediende werkt 40 uur per week. Hij of zij verdient 1600 dollar in de maand. Dat is nog geen 20.000 dollar per jaar. Dit is een minimum minimorum in het stadsdeel Manhattan, waar een appartement met twee slaapkamers 3500 dollar kost, zo niet 4000. De tafelbediende woont daarom in de Bronx, Harlem of Queens. De huur is lager maar toch nog misschien de helft van het inkomen. De tip maakt het leven leefbaar. Daarmee komt de ober uit op een maandloon rond 2000 dollar of 24.000 dollar per jaar. Ook geen vetpot, maar toch al beter. Bij taxichauffeurs is de competitie nog groter. Er rijden circa 13.000 typische New Yorkse yellow cabs door de stad. De meeste door Manhattan. Taxichauffeurs zijn vrijwel allemaal immigranten: uit Jemen, Egypte, Pakistan, India, Bangladesh, Nigeria, Guatemala of waar dan ook. Zij zijn geen eigenaar van die taxi's omdat ze de kosten van een vergunning niet kunnen betalen. De stad New York veilt de vergunningen die worden gekocht door bedrijven. Deze sluiten een lease met chauffeurs die met de gele auto rondrijden. De kosten zijn hoog (lease, verzekeringen en stijgende benzineprijs) maar het tarief is redelijk. Taxi's zijn niet te duur en voor 25 dollar rijd je van het zuidpunt van Manhattan naar het Metropolitan Museum in Upper East Side. Maar ook hier houdt de 'fooi' de chauffeur op de been. Wie te weinig fooi geeft, krijgt dat direct te horen. Dat is niet omdat die chauffeur hebberig is, maar omdat het zijn inkomen is. Als immigrant heeft hij geen alternatief. Wie de juiste 'tip' geeft, voelt de greenbacks als water door de vingers glijden. Het geld rolt en daar draait New York op. De Europeaan doet het best even als de New Yorker. Het is maar voor even. (T) De auteur is schrijver en columnist. Hij woont en werkt in de verenigde staten.Derk Jan Eppink