Amper iets meer dan een de-cennium geleden spelde het Westen de regio nog de les over het falende vriendjeskapitalisme. De heftige remedies die de Aziatische economieën toen voorgeschreven kregen, lijken nu een te drastisch medicijn voor Amerika en Europa. Nuchtere Aziatische beleidsvormers maken zich echter zorgen. Ze beseffen dat hun regio op korte termijn zwaar getroffen kan worden door een nieuwe scherpe inzinking in het Westen. Op lange termijn vragen ze zich af of de ontluikende Aziatische economieën niet komen vast te zitten in de 'valkuil van het modale inkomen'.
...

Amper iets meer dan een de-cennium geleden spelde het Westen de regio nog de les over het falende vriendjeskapitalisme. De heftige remedies die de Aziatische economieën toen voorgeschreven kregen, lijken nu een te drastisch medicijn voor Amerika en Europa. Nuchtere Aziatische beleidsvormers maken zich echter zorgen. Ze beseffen dat hun regio op korte termijn zwaar getroffen kan worden door een nieuwe scherpe inzinking in het Westen. Op lange termijn vragen ze zich af of de ontluikende Aziatische economieën niet komen vast te zitten in de 'valkuil van het modale inkomen'. De bekommernissen op korte termijn kunnen overdreven lijken. In september 2011 verwachtte de Asian Development Bank (ADB) nog dat de groei in Azië buiten Japan slechts matig zou terugvallen tot 7,5 procent. Voor sommige grotere economieën is zo'n vertraging overigens welgekomen. China in het bijzonder kan daar baat bij vinden. De futloze buitenlandse vraag kan een goede aanvulling vormen voor de inspanningen van de overheid om de economie af te koelen en tegelijk de inflatoire druk wat weg te nemen. Het gevaar van een vertraging is nochtans acuut voor Azië. De Chinese regering wil niet riskeren om de inflatie te verergeren door opnieuw een enorme stimulans op de economie los te laten, zoals ze dat deed in een reactie op de crisis van 2008. Ondanks alle inspanningen die sindsdien gedaan werden om de economie opnieuw in balans te brengen, meer afhankelijk van het binnenlandse verbruik, maakt de export naar het Westen nog altijd een groot deel uit van de vraag. Voor de rest van opkomend Azië wordt China een almaar belangrijkere markt. Voor vele landen is een groot deel van de export naar China echter een onderdeel van een logistieke keten waarvan de eindproducten westerse importartikelen zijn. De kwetsbaarheid op korte termijn voor de westerse economische weeën is een symptoom van de bekommernissen op langere termijn. Veel landen in Azië slagen er niet in om over te schakelen van groei die aangedreven wordt door hun natuurlijke rijkdommen en goedkope arbeidskrachten, naar groei die voortgestuwd wordt door hogere productiviteit. Naarmate de lonen stijgen, kunnen hun producenten op de exportmarkten niet meer concurreren met andere lagekostenfabrikanten. Tegelijk kunnen ze niet concurreren met de ontwikkelde economieën voor producten met een hogere toegevoegde waarde. Dat is de befaamde 'valkuil van het modale inkomen'. In Zuid-Amerika vinden we tal van landen die decennialang wegkwijnden in wat de Wereldbank definieert als het 'modaalinkomenbereik' (tussen ongeveer 1000 en 12.000 dollar bruto nationaal inkomen per hoofd). Van daar overstappen naar een land met gemiddeld een hoog inkomen, blijkt bijzonder moeilijk te zijn. In de voorbije halve eeuw heeft Azië de meest spectaculaire voorbeelden opgeleverd van landen die zo'n valkuil vermeden hebben: Japan, gevolgd door Taiwan, Zuid-Korea, Singapore en Hongkong. Voor het merendeel van de Aziatische landen die nog in de fase van het 'modaal inkomen' zitten, wordt misschien niet zo gemakkelijk. In een verhelderend rapport van de ADB worden die landen in twee groepen verdeeld. De ene wordt aangevoerd door China en India, vertegenwoordigt 77 procent van de Aziatische bevolking en 51 procent van het bbp. Het zijn "snel groeiende, convergerende" economieën. De andere groep, met 18 procent van de bevolking en iets meer dan 6 procent van het bbp van Azië, omvat "opkomende, traag of bescheiden groeiende" economieën. Een aantal landen in die tweede groep, zoals Sri Lanka en de Filipijnen, "vertonen nu al de klassieke kenmerken van de valkuil". Maar zelfs de snelle groeiers zijn kwetsbaar. De toename van de lonen en andere kosten stelt de Chinese exporteurs in sommige sectoren bloot aan de concurrentie van landen als Bangladesh en Vietnam. Die concurrentie wordt alleen maar intenser naarmate de Chinese bevolking veroudert. De boom in India verschilde van die in China en de rest van Oost-Azië omdat hij steunde op de binnenlandse vraag en de groei van de dienstensector. Het is alleen jammer voor de Indiase optimisten dat er geen precedent bestaat van een land dat op basis van dat model doorgebroken is tot de rangen van de ontwikkelde naties. Het is niet de stelling van de ADB dat Azië gedoemd is om in de valkuil terecht te komen, maar eerder dat lineaire groeiprognoses grote risico's inhouden. Het meest voor de hand liggend, is het gevaar voor conflicten in een regio die vergeven is van de onopgeloste disputen over soevereiniteit. De ADB maakt ook gewag van "ongunstige trends in de kwaliteit van de instellingen en toenemende corruptie". Het rapport van de ADB suggereert twee soorten toekomst voor Azië. Bij een ervan, de 'eeuw van Azië', wordt ervan uitgegaan dat de boom ononderbroken voortgaat. In dat scenario vertegenwoordigt Azië tegen 2050 de helft van de wereldeconomie. In het somberder scenario van de 'valkuil van het modaal inkomen ' is dat minder dan een derde. De auteur is columnist van The Economist.SIMON LONG