Het verhaal achter tien Amerikaanse economische statistieken.
...

Het verhaal achter tien Amerikaanse economische statistieken.In de Verenigde Staten worden bijna wekelijks een hele reeks macro-economische cijfers gepubliceerd. Op die manier heeft de overheid meteen een duidelijk zicht op de gezondheidstoestand van de Amerikaanse economie. Nadeel is wel dat ze, net als de beleggers, niet altijd even goed weten hoe ze die cijfers moeten interpreteren. Cash ! steekt u een handje toe, en dat in de vorm van de definitie van de tien Amerikaanse indicatoren met de grootste invloed op de financiële markten. We consulteerden twee specialisten : Thierry Borstlap (Gemeentekrediet) en Peter Vanden Houte (BBL). 1. NATIONAL ASSOCIATION OF PURCHASING MANAGERS-INDEX (NAPM)De aankoopdirecteurs van 250 grote bedrijven uit alle 50 staten van de Verenigde Staten krijgen elke maand een lijst voorgeschoteld met vragen over de productie, voorraden, knelpunten bij leveringen, orderontvangst en werkgelegenheid. De antwoorden worden in de vorm van een index gegoten, met voor elk van de vijf items een deelindex.Werd op alle vragen rond een onderwerp positief geantwoord, dan komt de deelindex op 100 te liggen. Zijn er evenveel positieve als negatieve antwoorden, dan bedraagt de deelindex 50. Samen vormen de vijf deelindexen de NAPM-index. Na correctie voor seizoensinvloeden worden ze opgeteld.Voor de interpretatie van de globale index is het cijfer 50 belangrijk. Een index hoger dan 50 wijst op een verwachte stijging van de industriële productie in de komende maanden. Ligt de index onder de 50, dan wordt een daling van de industriële productie verwacht.De NAPM-index voor een bepaalde maand wordt altijd op de eerste werkdag van de volgende maand bekendgemaakt, zodat hij een eerste aanwijzing geeft voor de toestand van de Amerikaanse economie in de voorbije dertig dagen.Vergeet echter niet dat de NAPM-index op verwachtingen is gebaseerd. Hij geeft dus geen garantie dat de industriële productie ook werkelijk in een bepaalde richting zal evolueren. Thierry Borstlap, beleggingsadviseur bij het Gemeentekrediet, ziet op lange termijn een mooi verband tussen de NAPM en de dollarevolutie. "Op korte termijn is de NAPM een minder goede indicator voor de dollarevolutie, omdat een tijdelijke correctie niet noodzakelijk een trendwijziging van de dollar inhoudt," voegt hij eraan toe.Een stijgende index resulteert gewoonlijk in hogere aandelenkoersen en een sterkere dollar. De obligatiekoersen dalen meestal. Vooral als de NAPM-index al vrij hoog ligt, vreest men immers voor een "oververhitting" van de economie die een renteverhoging nodig maakt. Daalt de index, dan gebeurt net het tegenovergestelde, en zal de dollar dus verzwakken.2. INDEX OF LEADING INDICATORS (LEI)In de eerste week van elke maand wordt de Index of Leading Indicators (LEI) opgesteld. De index bestaat uit het rekenkundig gemiddelde van elf, economische indicatoren. Voor elk van die elf elementen baseert men zich op de cijfers van twee maanden voordien.Die elf indicatoren zijn de M2-geldhoeveelheid, de Standard & Poor's 500-index, de gemiddelde werkweek in de industrie, de nieuwe werkloosheidsaanvragen, het consumentenvertrouwen, grondstoffenprijzen, bouwvergunningen, industriële verkoop, orders voor duurzame goederen en voor machines en de orderontvangst van de verwerkende industrie. Volgens analisten geeft de LEI een goede indicatie voor de evolutie van de conjunctuur voor de komende zes maanden. Als de LEI aanhoudend (zeker drie opeenvolgende maanden) daalt, kan dat op het begin van een recessie wijzen. Een voortdurende stijging kan dan weer het einde van de recessie inluiden.Belangrijk is dus de evolutie van de index over verschillende maanden. Op langere termijn is er een vrij nauwe band tussen de LEI en de rente-evolutie. Op korte termijn draagt de index echter geen nieuwe elementen aan, waardoor de cijfers grotendeels al in prijzen op de kapitaalmarkten verrekend zitten.3. WERKGELEGENHEIDDe belangrijkste macro-economische cijfers hebben met de werkgelegenheid te maken. Door de lage werkloosheid in de Verenigde Staten geven ze immers meteen aan of er al dan niet inflatiegevaar bestaat.Bovendien worden de werkgelegenheidscijfers al op de eerste vrijdag van de volgende maand gepubliceerd. Twee maanden later volgen soms wel zware aanpassingen.De cijfers over de werkgelegenheid zijn gebaseerd op een enquète bij bedrijven. Verwar ze niet met de werkloosheidscijfers, die via een rondvraag bij gezinnen worden samengesteld.4. PRODUCENTENPRIJZENDe producentenprijzen (Producers Price Index, PPI) zijn de prijzen die productiebedrijven aanrekenen voor de goederen die ze verkopen. Deze cijfers worden telkens in de tweede week van de maand (de week waarin de 13de valt) gepubliceerd.Dit cijfer geeft een eerste aanwijzing voor de prijsevolutie en veroorzaakt vaak hevige schommelingen op de financiële markten. De hevige reactie vlak na de publicatie, wordt in het verdere verloop van de handel echter vaak volledig omgebogen.Minder belang wordt gehecht aan de producentenprijzen voor voedingsmiddelen en energie, omdat die in grote mate door weersomstandigheden worden beïnvloed.5. CONSUMPTIEPRIJZENOp de publicatie van de producentenprijzen, volgt enkele dagen later de index van de consumentenprijzen (Consumers Price Index, CPI). Deze index bevat de prijzen van een goederenkorf, samengesteld op basis van de bestedingspatronen in de periode 1982-84. In 1998 wordt de samenstelling herzien, en wordt de consumptie in de periode 1993-95 de nieuwe maatstaf.De index werkt met de werkelijke prijzen die de consument in de winkel betaalt. De evolutie van de Amerikaanse dollar (USD) is daarom een belangrijk element bij de beoordeling van het CPI-cijfer. Een vuistregel : daalt de dollar 10 % tegenover zijn belangrijkste handelspartners, dan zal de CPI het jaar daarop ongeveer 0,5 % stijgen.De ontwikkeling van de consumptieprijzen komt niet helemaal overeen met de inflatie. Het CPI is meestal een overschatting van de inflatie. Op jaarbasis zelfs zo'n 0,5 tot 2 %.Begin 1994 sprong de PPI plots van ongeveer 0 % naar 2 % en steeg de CPI van 2 naar 3 %. Op de financiële markten vreesde men weer voor toestanden zoals in 1990 en 1991, toen de inflatie rond 6 % schommelde. Toen de Amerikaanse centrale bank in februari 1994 de rente plots verhoogde, zagen de financiële markten deze vrees min of meer bevestigd. Op de obligatiemarkten steeg de rente van de tienjarige Amerikaanse overheidsobligatie van ongeveer 5 % naar bijna 8 %. Dit was de fameuze "crash" van 1994 op de obligatiemarkt.6. DETAILHANDELSVERKOPENOngeveer in de helft van de maand worden de gegevens van een kleine steekproef over de detailhandelsverkopen van de voorbije maand gepubliceerd. Deze cijfers zijn zowel ten opzichte van de seizoensinvloeden als tegenover het aantal werkdagen gecorrigeerd. Het gaat wel om omzetcijfers zodat een stijging zowel een gevolg kan zijn van een toegenomen volume als van een prijsstijging.De detailhandelsverkopen hebben betrekking op de verkoop van goederen, maar niet van diensten. Toch gaan de financiële markten ervan uit dat ze een erg goede indicatie geven over de evolutie van de totale particuliere consumptie, waarvan de gegevens op het einde van de maand, samen met informatie over de gezinsinkomens, worden gepubliceerd.Zoals bij alle macro-economische gegevens die een goede aanwijzing geven voor de druk op de prijsevolutie, reageren de beleggers vaak erg nerveus wanneer blijkt dat de gepubliceerde cijfers erg van de verwachtingen afwijken. Té nerveus, zo blijkt achteraf vaak als de detailhandelsverkopen worden herzien.Volgens Thierry Borstlap kijkt men in een periode van hoogconjunctuur vooral naar de evolutie van de detailhandelsverkopen om te zien of de economische activiteit niet afneemt en men zich dus op een knikpunt bevindt. In periodes van laagconjunctuur wordt vooral rekening gehouden met de cijfers over de bouwnijverheid. Daaruit kan men afleiden of de economie al dan niet aantrekt.7. BEZETTINGSGRAADDe secundaire of industriële sector maakt in de Verenigde Staten maar 25 % van het totale Bruto Binnenlands Product uit. Maar het gaat dan wel om het deel van de economie dat het meest gevoelig is voor conjuncturele schommelingen. Halverwege de maand worden de cijfers over de bezettingsgraad (verhouding productie tegenover productiecapaciteit) en de industriële productie in de vorige maand gepubliceerd. Er wordt uitgegaan van ramingen van de Federal Reserve Board. Voor de financiële markten is vooral de bezettingsgraad in de industriële sector van belang. Ligt die hoger dan een neutraal punt dan vrezen de beleggers immers dat bedrijven hun prijzen vlugger zullen verhogen om de vraag af te remmen. Meestal leidt dat tot lagere obligatiekoersen (gevaar voor inflatie), maar hogere aandelenkoersen (hogere winstmarges). Bij een bezetting onder het neutraal punt doet zich een omgekeerde reactie voor.Maar waar dat neutrale punt precies ligt, daarover zijn de analisten het niet eens. Thierry Borstlap spreekt liever over een neutrale "zone" van 80 tot 82 %. Stijgt de bezettingsgraad binnen die zone, dan neemt de kans op rentestijgingen toe. Zo klom de rente op tienjarige obligaties meer dan 2 % toen de ratio begin 1987 van een dieptepunt op 78 % op enkele maanden tijd tot bijna 82 % steeg.De uitbraak uit de 80-82 %-zone begin 1994 had een sterke stijging van de rente tot gevolg. Borstlap wijst er nog op dat de bezettingsgraad pas tegen het einde van 1994 van een recordniveau van ongeveer 85 % (!) begon te dalen en dat ook pas toen de druk op de rente afnam.8. BOUWSECTOR"Als het goed gaat in de bouw, dan draait ook de economie goed." En dat geldt niet alleen in België, maar ook in de Verenigde Staten.In de eerste week van de maand wordt bekend hoeveel woningen de voorbije maand verkocht zijn. In de tweede helft van de maand publiceert men de cijfers over het aantal woningen waarvan de bouw is begonnen en het aantal afgeleverde bouwvergunningen. Informatie genoeg om de economische situatie van de bevolking in te schatten.Ook hier spelen weersomstandigheden een belangrijke rol. Bovendien houden niet alle Amerikaanse staten deze gegevens bij. De invloed op de financiële markten is dan ook niet erg groot.9. ORDERS DUURZAME GOEDERENDe orders voor duurzame goederen en de orderpositie in een bepaalde maand worden de laatste week van de daaropvolgende maand gepubliceerd. De gegevens zijn gebaseerd op een enquête onder ongeveer 70.000 bedrijven.Belangrijkste onderdeel is de brok informatie over de totale orders exclusief transportmiddelen en exclusief defensiegoederen. Bestellingen in die twee sectoren maken immers soms vreemde bokkensprongen. Voor analisten telt dan ook eerder de evolutie tegenover het gemiddelde op drie maanden, eerder dan de evolutie tegenover de voorbije maand. Indien ten opzichte van dit gemiddelde een stijging werd opgetekend, reageren de aandelenkoersen en de dollar positief, in tegenstelling tot de obligatiekoersen.De week na de publicatie van de cijfers voor duurzame goederen volgen de totale orders (fabrieksorders).10. BRUTO BINNENLANDS PRODUCTRond de 25ste van de eerste maand van een kwartaal worden de voorlopige cijfers voor het Bruto Binnenlands Product (BBP) gepubliceerd. Een maand later wordt het cijfer gecorrigeerd en het definitieve cijfer is pas twee maanden later bekend. Eenmaal per jaar, gewoonlijk in de maand juli, volgt er nog een herziening van de hele historiek.De herzieningen zijn vaak erg groot. Omdat dit cijfer in feite een samenvatting is van gegevens die al eerder gepubliceerd zijn, wijkt het gewoonlijk niet te erg af van de voorspellingen van financiële analisten. Verschuivingen in de samenstelling van het BBP (zie kader) worden nauwgezet opgevolgd. De meeste aandacht gaat naar de mate waarin de groei tot hogere voorraden heeft geleid. Een sterke, ongewenste voorraadgroei kan er immers op wijzen dat de economische groei in het volgende kwartaal zal afnemen.BERT JORDENSDe werkgelegenheidscijfers geven op dit moment de belangrijkste indicatie over de gezondheid van de economie.De detailshandelsverkopen geven een aanwijzing over de evolutie van de particuliere consumptie, en dat is vooral in een periode van hoogconjunctuur van belang.Omdat de gegevens over de bouwsector niet zo betrouwbaar zijn, is hun invloed op de financiële markten beperkt.De industriële sector maakt in de Verenigde Staten maar 25 % van het totale Bruto Binnenlands Product uit. Maar dit deel van de economie is wel het meest gevoelig voor conjuncturele schommelingen.