Er mag dan wel een technologische revolutie aan de gang zijn, we kunnen het rijke economieën niet kwalijk nemen dat ze stiekem hopen dat ze voorbijgaat. Werknemers in Amerika, Europa en Japan hebben een paar moeilijke decennia doorgemaakt. Zowel Europa als Amerika zag de florissante groei van na de Tweede Wereldoorlog verwelken in de jaren zeventig. Japan verzeilde aan het begin van de jaren negentig in een lange periode van economische stagnatie. Korte pozen van snellere groei in de tussenliggende jaren verpieterden snel. En terwijl de rijke wereld de gevolgen van de financiële crisis van 2008 nog van zich af probeert te schudden, houdt de digitale economie de lonen van het grootste deel van de werknemers laag. De meest talentvolle onder hen verdienen dan weer buitensporig veel.
...

Er mag dan wel een technologische revolutie aan de gang zijn, we kunnen het rijke economieën niet kwalijk nemen dat ze stiekem hopen dat ze voorbijgaat. Werknemers in Amerika, Europa en Japan hebben een paar moeilijke decennia doorgemaakt. Zowel Europa als Amerika zag de florissante groei van na de Tweede Wereldoorlog verwelken in de jaren zeventig. Japan verzeilde aan het begin van de jaren negentig in een lange periode van economische stagnatie. Korte pozen van snellere groei in de tussenliggende jaren verpieterden snel. En terwijl de rijke wereld de gevolgen van de financiële crisis van 2008 nog van zich af probeert te schudden, houdt de digitale economie de lonen van het grootste deel van de werknemers laag. De meest talentvolle onder hen verdienen dan weer buitensporig veel. Volgens de OESO, de denktank van geïndustrialiseerde landen, was de jaarlijkse stijging van de reële lonen tussen 1991 en 2012 minder groot dan de economische groei in die periode. In Groot-Brittannië stegen de lonen met gemiddeld 1,5 procent, in de VS met 1 procent, in Duitsland met slechts 0,6 procent en in Japan was zelfs geen enkele toename merkbaar. Belangrijk daarbij is dat die gemiddelden grote verschillen verbergen. De reële vergoeding van de meeste werknemers bleef gelijk of daalde zelfs, terwijl die van de grootste verdieners de pan uit rezen. De stijging van de lonen lag duidelijk niet in lijn met de buitengewone technologische vooruitgang in die periode. Maar dat was niet voor het eerst in de geschiedenis. De meeste economische historici gaan er bijvoorbeeld van uit dat de levensstandaard maar heel weinig veranderde in de eeuw die volgde op de eerste industriële revolutie. En aan het begin van de 20ste eeuw, toen victoriaanse uitvindingen zoals elektrisch licht ingeburgerd raakten, nam de productiviteit even traag toe als in de voorgaande decennia. In juli 1987 schreef de econoom Robert Solow, amper een paar maanden voor hij de Nobelprijs voor de Economie kreeg, een boekbespreking voor de New York Times. In het boek, The Myth of the Post-Industrial Economy, gingen Stephen Cohen en John Zysman na waarom de Amerikaanse verwerkende industrie het moest afleggen tegen de concurrentie uit het buitenland. Een van de problemen was volgens de auteurs dat de Verenigde Staten er niet in slaagden volop gebruik te maken van de schitterende nieuwe technologieën zoals gesofisticeerder automatisering en aanzienlijk verbeterde robots. Solow stelde vast dat "wat iedereen aanvoelt als een technologische revolutie overal vergezeld gaat van een vertraging van de productiviteitsgroei". Het onvermogen van de nieuwe technologie om de productiviteit te stimuleren (een korte periode van 1996 tot 2004 niet te na gesproken) raakte bekend als de Solow-paradox. De economen zijn het niet eens over de oorzaken ervan. Een van hen, Robert Gordon van de Northwestern University, voert aan dat de recente innovaties gewoon niet krachtig genoeg zijn om de effecten van demografische verschuivingen, ongelijkheid en staatsschulden teniet te doen. Volgens hem heeft de vooruitgang in informatie- en communicatietechnologie (ICT) een minder grote impact dan elektrificatie, auto's en draadloze communicatie, de belangrijke drie technologieën die de tweede industriële revolutie aan het rollen brachten. De geschiedenis lijkt die stelling niet te ondersteunen. De Amerikaanse economische groei maakte zijn grote sprong tussen 1939 en 2000. De gemiddelde output per persoon steeg in die periode met 2,7 procent per jaar. Voor en na die periode was de groeivoet een heel stuk kleiner: 1,2 procent tussen 1891 en 1939 en 0,9 procent tussen 2000 en 2013. De dramatische duik die de productiviteitsgroei nam sinds 2000 lijkt bovendien samen te vallen met een versnelling van de technologische vooruitgang, naarmate het internet en de smartphones zich alom verspreidden en intelligente machines en robotica snel vooruitgang maakten. Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee (en een heleboel techno-optimisten in Silicon Valley) komen met een andere verklaring. Zij stellen dat technologische vooruitgang pas na lange tijd de productiviteit verhoogt. De voorbije veertig jaar vormden voor de ICT een ontwikkelingsperiode, waarin het verwerkingsvermogen explosief toenam en de kosten naar beneden tuimelden. Zo zijn de omstandigheden geschapen voor een echte revolutie, die nu pas begint. Dat klinkt aannemelijk, maar voorlopig blijkt dat niet uit de productiviteitsstatistieken. John Fernald, een econoom bij de Federal Reserve Bank van San Francisco en misschien wel de grootste autoriteit in Amerikaanse productiviteitscijfers, publiceerde eerder dit jaar een studie van de productiviteitsgroei tijdens het voorbije decennium. Hij kwam tot de vaststelling dat die trage groei niets te maken had met de perikelen op de woningmarkt, de financiële crisis of de recessie. Hij zat integendeel geconcentreerd in ICT-sectoren en sectoren die intensief gebruikmaken van ICT. Dat is wellicht de verkeerde plaats om op zoek te gaan naar productiviteitsverbetering. De dienstensector is misschien veelbelovender. In het hoger onderwijs bijvoorbeeld, kan de ontwikkeling van onlinecursussen de productiviteit doen boomen omdat één professor dan het werk doet waarvoor tevoren een legioen van docenten nodig was. Zodra een onlinecursus ontwikkeld is, kan hij aan een onbeperkt aantal bijkomende studenten geboden worden tegen lagere meerkosten. Vergelijkbare mogelijkheden om de productiviteit van werknemers in de dienstensector op te peppen, zijn ook elders te vinden. Nieuwe technieken en technologieën in de gezondheidszorg lijken bijvoorbeeld de stijging van de gezondheidskosten in de Verenigde Staten af te remmen. Intelligente machines kunnen helpen diagnoses te stellen, zodat een arts of verpleegster meer patiënten efficiënter kan diagnosticeren tegen een lagere kostprijs. Het gebruik van mobiele technologie om chronisch zieken thuis te monitoren kan eveneens aanzienlijke besparingen opleveren. Dat soort vooruitgang verhoogt normaal de productiviteit en rendeert voor wie in die sectoren blijft werken en gebruikmaakt van de nieuwe technologieën. Tegelijkertijd worden die diensten goedkoper voor de consumenten. Gezondheidszorg en onderwijs zijn duur, grotendeels omdat bij expansie nieuwe gebouwen worden opgetrokken, die gevuld moeten worden met dure werknemers. Toenemende productiviteit zal in die sectoren waarschijnlijk leiden tot jobverlies. De vrees voor het jobvernietigend effect van de technologie is zo oud als de industrialisatie zelf. Vaak is die vrees gebaseerd op de misvatting dat er een vaststaande hoeveelheid werk is. Wanneer machines (of buitenlandse werkkrachten) dan meer van dat werk uitvoeren, blijft er minder over voor de anderen, is de redenering. Dat wordt beschouwd als een misvatting omdat technologie misschien wel werknemers uit een bepaalde activiteit weert, maar tegelijk anderen rijker maakt. Die spenderen hun inkomen dan weer aan goederen en diensten die nieuwe werkgelegenheid creëren. Een fundamenteel radertje in die heractiveringsmachine is het loon. Om een oververzadigde arbeidsmarkt op te ruimen, moeten werkkrachten goedkoper worden. Overal waar arbeid goedkoop is, maken ondernemingen er meer gebruik van. In Europa en Japan, waar arbeid duur is, staan bij autobouwers veel meer industriële robots dan in opkomende landen. Productiviteitsgroei stond altijd al gelijk met de vermindering van de factor arbeid. In 1900 werkte zowat 40 procent van de Amerikanen in de landbouw en ging net iets meer dan 40 procent van het huishoudbudget naar voedsel. In de eeuw die volgde, daalde door de automatisering de werkgelegenheid in de landbouw in de meeste rijke landen tot minder dan 5 procent en namen de kosten voor voeding drastisch af. Maar aangezien de werkkrachten in de landbouw toen on- of laaggeschoold waren, was het in die tijd nog relatief makkelijk het overschot aan arbeiders naar andere sectoren te begeleiden. Dat gebeurde grotendeels dankzij investeringen in onderwijs. Dat ligt nu veel moeilijker. In de Verenigde Staten is het deel van de bevolking dat een universiteitsdiploma heeft sinds de jaren negentig nagenoeg constant gebleven. In andere rijke economieën is het aandeel van de jongeren die hoger onderwijs volgen gestegen, maar er zijn slechts weinig landen in geslaagd dat aandeel boven het Amerikaanse niveau te tillen. Terzelfder tijd is het door de technologische vooruitgang mogelijk geworden taken te automatiseren die vroeger te complex geacht werden om daarvoor in aanmerking te komen. In de juridische sector en de boekhouding bijvoorbeeld zal de gespecialiseerde toplaag in de toekomst veel meer klanten aantrekken en hogere honoraria krijgen. terwijl kantoorpersoneel met minder kwalificaties opzijgeschoven zal worden. Zij zullen op de arbeidsmarkt op hun beurt anderen met nog minder vaardigheden verdringen. Peter Cappelli van de universiteit van Pennsylvania komt in een nieuwe paper tot de bevinding dat overeducatie de voorbije jaren een constant probleem was in de meeste ontwikkelde landen. Ze genereren onvoldoende geschikte jobs om het toenemende aantal universitairen te verwerken. Het zou weleens kunnen dat in de komende decennia de vraag naar profielen met meer abstract redeneringsvermogen, creativiteit en sociale vaardigheden zal stijgen. Andere werknemers, universitairen incluis, dreigen uit de boot te vallen. De meeste rijke economieën zijn er amper in geslaagd lucratieve jobs te vinden voor werknemers die door technologie verdrongen worden. Het gevolg is een toenemende overvloed van goedkope arbeidskrachten. Dat zet de ondernemingen nauwelijks ertoe aan investeringen te doen die de productiviteit opdrijven. Als arbeid goedkoop en overvloedig aanwezig is, lijkt het weinig zinvol te investeren in arbeidsbesparende en productiviteitsverhogende technologie. Tot de overheid dat probleem oplost, zal het effect van de technologische revolutie op de productiviteit teleurstellend blijven. De impact op de werkgelegenheid daarentegen is nu al zonneklaar. THE ECONOMISTDe meeste rijke economieën zijn er amper in geslaagd lucratieve jobs te vinden voor werknemers die door technologie verdrongen worden. "Wat iedereen aanvoelt als een technologische revolutie gaat overal vergezeld van een vertraging van de productiviteitsgroei" Robert Solow