"Cyprus heeft onze denkwereld veranderd." Met die gevleugelde woorden doorbrak minister van Financiën Koen Geens een taboe: voortaan kunnen ook spaarders opdraaien voor het faillissement van hun bank.
...

"Cyprus heeft onze denkwereld veranderd." Met die gevleugelde woorden doorbrak minister van Financiën Koen Geens een taboe: voortaan kunnen ook spaarders opdraaien voor het faillissement van hun bank. Omdat op de Cypriotische banken veel Russisch geld op de rekeningen stond, niet altijd van een even duidelijke of eerlijke herkomst, vergde hun redding een uitzonderlijke aanpak. De leiders van de eurozone zagen het niet zitten om de Europese belastingbetaler te laten opdraaien voor geld dat aangetrokken was onder een fiscaal gunstregime en met onlogisch hoge rentevoeten. En dus werd de spaarder mee in het bad getrokken. Eerst zowel de kleine als de grote spaarder. Maar om de depositogarantie tot 100.000 euro te redden, werd het uiteindelijk alleen de grote spaarder. Erger was dat nogal wat bewindvoerders daarna verklaarden dat de redding van Cyprus een blauwdruk kon zijn voor toekomstige bankreddingen in Europa. Niet alleen de aandeelhouder zou voortaan bloeden als een bank failliet gaat (remember Fortis en Dexia), maar ook de schuldeiser. En tot de schuldeisers van een bank behoren naast de obligatiehouders ook de spaarders. Als een bank failliet gaat, kan de spaarder voortaan dus een deel van zijn spaargeld verliezen. Zoals de politici het voorstellen, is alle spaargeld tot 100.000 euro veilig, want gedekt door de depositogarantie. Maar in de praktijk is zelfs dat niet meer dan een fata morgana, want de hoogte van de te vergoeden deposito's overstijgt de financiële draagkracht van de meeste nationale overheden. Alle spaarcenten vanaf 100.000 euro zijn sowieso in gevaar. Philippe Lamberts, Europarlementslid voor Ecolo en betrokken bij de nieuwe Europese bankenrichtlijn, gaat zelfs nog een stap verder: "Als je je geld veilig wilt opbergen, steek het dan in een kluis. Wil je toch een rente, dan kun je een spaarrekening bij een bank openen, maar dan neem je meer risico. Je moet er rekening mee houden dat je spaargeld aangesproken wordt als de bank failliet gaat. Logisch, toch?" Het is alsof Europa van de spaarder verwacht dat hij de kredietwaardigheid van zijn huisbank controleert. Parkeer uw geld bij een veilige bank, luidt de boodschap. Wie dacht dat we daarvoor toezichthouders hadden, is eraan voor de moeite. Maar welke bank is nog veilig? Als we IMF-topvrouw Christine Lagarde mogen geloven, geen enkele. Zij noemt de bankensector het belangrijkste probleem van de eurozone. "De grootbanken in Europa zijn gevaarlijker dan ooit", zei Lagarde een paar weken geleden tijdens een speech in New York. "Europa moet de sector herkapitaliseren, herstructureren en waar nodig banken sluiten." Volgens Lagarde is een grootscheepse hervorming noodzakelijk omdat de Europese grootbanken nog altijd veel te hoge risico's op hun balans hebben. "De bankindustrie staat niet te springen om haar lucratieve zakenmodel af te zweren", stelt Lagarde vast. "Men geeft nog altijd de voorkeur aan snelle winst boven de lange termijn. Het too big to fail-bankenmodel vormt een bedreiging voor de wereldeconomie." Toch is de ene bank veiliger dan de andere. De kern van het probleem van de Europese grootbanken is hun geringe solvabiliteit: ze houden te weinig kapitaal aan in verhouding tot hun activa. Daardoor zijn ze niet bestand tegen grote schokken, economisch stormweer of systeemcrisissen. Ivan Van de Cloot, hoofdeconoom van Itinera, herhaalt het tot in den treure: "Veel Europese banken zijn nog altijd ondergekapitaliseerd. Ze blijven met een schuldenhefboom en een te kleine kapitaalbuffer werken." Om tot sterke, gezonde, weerbare banken te komen, is er nood aan strenge kapitaal- en liquiditeitsregels. Daarvoor was alle hoop gevestigd op Bazel III, de hernieuwde poging van de internationale gemeenschap van financiële regulatoren om de bankwereld naar veiliger wateren te loodsen. Maar dat zou wel eens ijdele hoop kunnen zijn. Bazel III bouwt voort op het model van de risk based ratio's, wat betekent dat banken kapitaal moeten aanhouden in verhouding tot het risicogewicht van de activa. Onder Bazel II leidde dat tot een uitholling van de kapitaalbuffers. De risicoweging gebeurde op basis van lakse regulering en de risicomodellen van de banken zelf. Als die het risico laag inschatten, kwam er zelfs kapitaal vrij. Daardoor konden banken hun balans opblazen zonder dat het eigen vermogen meegroeide. Bovendien leek het alsof gesofisticeerde modellen steevast op een lagere risicograad uitkwamen. Een aanvullende parameter, die noodzakelijk is om de gezondheid en weerbaarheid van een bank te meten, is de leverage ratio. Die zet het eigen vermogen af tegenover het balanstotaal, los van het risicogewicht van de activa. Deze parameter gaat ervan uit dat alle bankactiva even veilig of onveilig zijn. En daar zit iets in: het is nu eenmaal eigen aan bankieren dat er altijd wel een activaklasse onder druk staat. Dat hoeft geen probleem te zijn. Als een bank maar genoeg eigen middelen aanhoudt, kan ze altijd tegen een stootje. Met een voldoende groot stootkussen hoeft het voortbestaan van de bank niet in gevaar te komen. Onder Bazel III wilden de regulatoren een leverage ratio van 3 procent invoeren, om te garanderen dat de banken een minimum aan kapitaal aanhouden. In de nieuwe Europese wetgeving is die bepaling niet opgenomen, en dat is geen goede zaak. Het biedt de banken de kans weg te komen met zwakke kapitaalnormen, en met zo weinig mogelijk kapitaal zo veel mogelijk risico's te nemen. Bovendien is een leverage ratio van 3 procent eigenlijk een te lakse verplichting. Het volstaat dat 3 procent van de activa slecht uitdraait, en de bank mag de deuren sluiten. De OESO publiceerde vorig jaar een studie waarin ze stelde dat 5 procent de mediaan is voor de bankensector wereldwijd, en een goede toetssteen voor de weerbaarheid van financiële instellingen. Op vraag van Trends berekende de denktank CEPS de kapitaalratio's van een aantal Belgische en systeembelangrijke Europese banken (zie tabel). Een eerste opmerkelijke vaststelling is dat het onderzochte staal van banken 19.600 miljard euro aan activa aanhoudt. Dat is iets meer dan de 19.300 miljard euro in 2008, toen de financiële crisis uitbrak. In de daaropvolgende jaren is er een beweging van balans- en schuldafbouw geweest, maar sinds vorig jaar piekt het totaal van de activa weer op topniveaus. "Er is de voorbije jaren veel gepraat over deleveraging,in de zin dat banken kleiner zouden worden", merkt Willem Pieter de Groen, onderzoeker bij CEPS, op. "Maar als je naar de cijfers kijkt, is daar slechts ten dele sprake van. Het lijkt alsof de omvang van de portefeuille activa van de grote systeemrelevante banken in de EU niet of nauwelijks afgenomen is. Wat wel verminderd is, is het risicogewicht van de activa in portefeuille. Dat is hoofdzakelijk het gevolg van twee belangrijke factoren. Enerzijds hebben de banken de samenstelling van hun portefeuille aangepast, anderzijds gebruiken ze interne risicomodellen waarmee ze het risicogewicht van de activa konden verlagen. Het valt op hoe weinig risicoactiva er zijn op het totaal van de activa." Vandaar de tweede vaststelling: veel Europese grootbanken halen hoge kapitaalratio's als het eigen vermogen afgezet wordt tegenover de risicogewogen activa. In de tabel hanteren we het Core Tier 1-kapitaal als percentage van de risicoactiva. Gemiddeld halen de onderzochte Europese banken een Core Tier 1- ratio van 11,4 procent. Maar een kapitaalratio die zich baseert op het risicogewicht van de activa heeft haar beperkingen. Daarvan zijn Dexia en Belfius (het voormalige Dexia Bank België) mooie voorbeelden. Tussen 2008 en 2010, in volle crisis, haalden deze twee instellingen de hoogste Core Tier 1-ratio's in de sector. "Dexia hield zich hoofdzakelijk bezig met het financieren van lokale overheden. Dat werd en wordt door de regelgever nog altijd beschouwd als risicoloos", aldus De Groen. Eind 2012 stond Dexia weer op kop in deze rangschikking, met de hoogste ratio van alle banken: 19,7 procent. Terwijl de restbank een tikkende tijdbom is die op elk moment kan ontploffen. Dan geeft de leverage ratio een ander beeld. Mede omdat in het onderzoek de enge definitie van kapitaal gebruikt is ('common equity', minderheidsaandeelhouders en hybride instrumenten werden niet meegeteld), en daarnaast de immateriële activa van het eigen vermogen afgetrokken werden. Volgens die berekeningswijze hield de Europese banksector in 2007 maar 0,6 procent eigen vermogen aan in verhouding tot het totaal van de activa. Grootbanken als Deutsche Bank, BNP Paribas, Crédit Agricole en Barclays hadden op dat moment amper een stootkussen om verliezen op te vangen. Ze boekten grote winsten, maar zaten op een gigantische schuldenluchtbel. Sinds het uitbreken van de financiële crisis is de leverage ratio wel gestaag gestegen: van 0,6 procent in 2007 tot 2,5 procent vorig jaar. Dat bewijst dat de bankensector zijn kapitaal versterkt heeft. Maar wellicht onvoldoende. De gemiddelde leverage ratio bedraagt nu 2,5 procent. Daarmee blijven veel Europese banken onder de norm van 3 procent die voorzien is in de Bazel III-akkoorden en ruim onder de 5 procent die de OESO als richtsnoer aanreikt. Over de Belgische banken mogen we al bij al tevreden zijn. De balansen zijn fors afgebouwd, vooral bij Dexia, KBC en BNP Paribas Fortis. En zoals uit de grafieken blijkt, is ook de leverage ratio de voorbije jaren verbeterd. De verhouding kapitaal/balanstotaal is beter dan die van veel andere Europese banken. Zowel Dexia, Belfius als KBC zaten eind 2012 boven 3 procent. En de dochterondernemingen van buitenlandse banken, BNP Paribas Fortis en ING België, nemen zelfs de kaap van 6 procent. Wie zijn dan de probleemgevallen? Twee reuzen uit het Europese bankenlandschap springen meteen in het oog: Deutsche Bank en Crédit Agricole. Deutsche Bank haalt een leverage ratio van 1,3 procent, en dat is amper meer dan vóór de crisis. Voor een bank met een balanstotaal van meer dan 2000 miljard euro, dat is vergelijkbaar met het bbp van Italië, is dat een enorm risico. Deutsche Bank is eigenlijk nog altijd een veel te grote bank: het balanstotaal was in 2012 even groot als in 2007. Nog rampzaliger is de situatie van Crédit Agricole. Onderkapitalisering is in het geval van de Franse bank een understatement. In 2008 bedroeg de verhouding eigen middelen op balanstotaal amper 0,1 procent, wat een hallucinante schuldenhefboom van 1000 oplevert. Dat heeft te maken met de berekeningswijze. De immateriële activa die van het common equity afgetrokken werden, vormen een erg grote post bij Crédit Agricole. Maar het blijft een feit dat Crédit Agricole er de voorbije jaren, onder andere door zware verliezen in Griekenland, niet in slaagde zijn kapitaalbasis fors te verstevigen. Vorig jaar was de leverage ratio van de bank iets gestegen, maar met 0,5 procent blijft ze ondermaats. Een andere Franse bank, BNP Paribas (waarin de Belgische staat een belangrijke deelneming heeft), legde wel al een hele weg af in haar schuldafbouw en kapitaalversterking. De leverage ratio van de groep BNP Paribas bedroeg 0,9 procent eind 2008, amper meer dan die van Deutsche bank. Met een ratio van 2,6 procent eind vorig jaar komt BNP Paribas nu al aardig in de buurt van de 3 procentnorm van Bazel III. De ene bank is duidelijk de andere niet. PATRICK CLAERHOUT, ILLUSTRATIE SEBASTIAAN VAN DONINCKHet is alsof Europa van de spaarder verwacht dat hij de kredietwaardigheid van zijn huisbank controleert. Het volstaat dat 3 procent van de activa slecht uitdraait, en de bank mag de deuren sluiten. Over de Belgische banken mogen we al bij al tevreden zijn. Deutsche Bank en Crédit Agricole zijn probleemgevallen.