J an Fabre is geniaal, de Filharmonie van Vlaanderen is ongeniaal. Jan Fabre is champagne, de Filharmonie is kraantjeswater. Fabre eist het uiterste van zijn spelers want hij bepaalt in vrijheid met hen wat kan en wat niet kan; de dirigent van de Filharmonie kan in overleg niet het uiterste van zijn mensen vragen, want de vakbond beslist mee en promoveert de sleur, de krententellerij, het profitariaat. Fabre wordt geacclameerd in het buitenland; op de Filharmonie wacht niemand.
...

J an Fabre is geniaal, de Filharmonie van Vlaanderen is ongeniaal. Jan Fabre is champagne, de Filharmonie is kraantjeswater. Fabre eist het uiterste van zijn spelers want hij bepaalt in vrijheid met hen wat kan en wat niet kan; de dirigent van de Filharmonie kan in overleg niet het uiterste van zijn mensen vragen, want de vakbond beslist mee en promoveert de sleur, de krententellerij, het profitariaat. Fabre wordt geacclameerd in het buitenland; op de Filharmonie wacht niemand. De CAO van de grote Belgische orkesten is egalitair: een muzikant zoekt dus werk dichtbij huis. Voor hem/haar ontbreekt de prikkel voor emplooi bij het beste en best betalende Belgische orkest. Dat bestaat trouwens niet, want een beste orkest betaalt zijn top een hoger honorarium en dat verdragen de syndicalisten niet. Gevolg: de spelers van Belgische orkesten verrichten het minimum voor hun werkgever en schnabbelen wellustig. Wat Jan Fabre, Anne Teresa De Keersmaeker en Wim Vandekeybus kunnen - dansvedettes worden in binnen- en buitenland, een hype - vermogen de grote orkesten niet. Zijn deze kunst- Sabena's het geld waard van de belastingbetaler? De kwestie is breder. Moet de overheid een hoofdpartij blazen bij de financiering van de cultuur? Een partnership tussen de publieke en de privé-sector is een serieuzere weg voor de cultuurproductie. De tax shelter voor de Belgische films is het kompas. Filminvesteringen zijn fiscaal aardig. Na de film eisen de festivals een belastingvoordeel voor hun sponsoring. Het Festival van Vlaanderen (zie blz. 58), de opa van de Vlaamse festivals (geboortejaar 1958), professionaliseert de cultuurfeesten door de nagelnieuwe Federatie van de Festivals. Festivals zijn toekomstgerichte tewerkstelling. De Federatie bepleit een tax shelter voor de kunstenfinanciering. Een belastingvrijstelling voor festivalsponsoring genereert miljoenen euro; de overheid kan zo besparen op haar cultuurgeld en die sommen aanwenden voor essentiëlere taken (onderwijs en veiligheid bijvoorbeeld). Het Festival van Vlaanderen leeft voor een vierde van zijn budget van de sponsoring door (hoofdzakelijk) multinationals. Vlaamse bedrijven (met uitzondering van KBC) zijn vaak cultuurkinkels. Koppel het stadhuiswoord hedonisme - genot is het hoogste goed - aan economie en je krijgt hedonomie: de snelst groeiende economische sector is de cultuur, de ontspanning, de pret (zie Peter Decuypere van Santa Boutique, blz. 23). Amerika toont de trend: terwijl de persoonlijke spaarquote in de VS zakt naar 2 %, stijgen de bestedingen voor entertainment naar 9 % van de consumptie-uitgaven. Daarmee overklassen ze in de volgende jaren de sommen voor gezondheidszorg, interieurinrichting en gezinsaankopen. Hedonomie is geen synoniem van vergroving en verplatting. Het Festival van Vlaanderen is uniek en democratisch naast het grootste festijn ter wereld, Edinburgh (1540 spektakels) en nichespelers als het Holland Festival, Bayreuth, Glyndebourne, Aix-en-Provence, Lüzern. Het Festival van Vlaanderen ontvangt 15 % à 20 % van zijn begroting uit overheidstoelagen; sommige buitenlandse festivals tot 50 % à 60 %. De publieke kunstenfinanciering verkrapt in Europa en festivals, concertzalen en operahuizen zullen moeten leunen op de privé-sector. Meer ondernemers en minder pasja's met vakbondssteun zijn het recept voor betere cultuur in België. Frans Crols