De auteurs zijn advocaten gespecialiseerd in vermogensrecht. Alain Verbeke is tevens hoogleraar Burgerlijk en Notarieel Recht aan de universiteiten van Leuven en Tilburg.
...

De auteurs zijn advocaten gespecialiseerd in vermogensrecht. Alain Verbeke is tevens hoogleraar Burgerlijk en Notarieel Recht aan de universiteiten van Leuven en Tilburg.Vlaamse familiale ondernemingen worden opgebouwd tijdens de eerste generatie, groot gemaakt door de tweede generatie en kapotgemaakt door de derde generatie. Zo omschrijft men wel eens het probleem van familiebedrijven die ten onder gaan aan familietwisten of een slechte opvolgingsregeling. Een familiebedrijf dat de versnippering en familieconflicten wil overleven, moet goed nadenken over de opvolging. Om de mogelijkheden en de gevaren duidelijk te illustreren, hebben we de familieonderneming Multiblain in het leven geroepen. Jonkheer Pierre-Paul d'Entre Prise, een notoir industrieel uit Ieper, volgde indertijd zijn vader Pierre-Antoine op in de familieonderneming. Multiblain werd in de jaren twintig opgericht door grootvader Charles-Antoine. Intussen is het bedrijf uitgegroeid tot een onderneming met internationale allure. Pierre-Paul is nu 62 jaar en weduwnaar. Hij heeft vijf kinderen: een zeer verstandige zoon Charles-Amédée (jurist en econoom), een flamboyante zoon Charles-Théodore (deejay), twee brave dochters Victorine en Mélanie (huisvrouwen) en een flirtende dochter Mathilde (wereldreiziger). Enkele jaren geleden maakte Pierre-Paul zich zorgen over hoe het verder moest. Hij had gelezen dat het statistisch gezien fout zou lopen met zijn bedrijf. Hij is immers al de derde generatie. De enige reden dat het tot nu toe goed was gegaan, zo vreesde hij, was simpelweg dat Pierre-Paul een enige zoon was, en zijn vader Pierre-Antoine ook. Maar wat nu? Pierre-Paul had vijf kinderen, waaronder zelfs drie dochters. Uiteraard was het zijn vurige wens dat het bedrijf zou blijven groeien, liefst met een D'Entre Prise aan het roer. In de harde economische wereld vergt dat echter veel vakmanschap en inzicht, en dat was bij zijn kinderen in zeer beperkte mate aanwezig. Eigenlijk was alleen Charles-Amédée bekwaam om op termijn de onderneming te leiden en verder uit te bouwen. Pierre-Paul wou echter elk van zijn kinderen goed en gelijk behandelen. Het idee dat een van zijn dochters of Charles-Théodore na zijn overlijden met geërfde aandelen op een algemene vergadering zouden stemmen en zo het beleid van het bedrijf zouden beïnvloeden, bezorgde de pater familias koude rillingen. Wel zouden alle vijf de kinderen op een gelijke wijze moeten kunnen genieten van de inkomsten en dividenden die de aandelen genereerden. Ideaal zou zijn, zo dacht Pierre-Paul, dat alleen Charles-Amédée zeggenschap zou verkrijgen over het bedrijf en stemmen op de algemene vergadering en bestuursfuncties uitoefenen, terwijl de andere kinderen geen enkele inspraak hebben, maar wel hun deel van de opbrengsten krijgen. Bovendien meende Pierre-Paul dat hij deze regeling niet zou moeten uitstellen tot aan zijn overlijden. Hij wou zelf wel de controle over het bedrijf behouden en Charles-Amédée geleidelijk bij de zaak betrekken, maar om successierechten te vermijden wou hij liever zijn aandelen in het bedrijf nu al laten overgaan op de kinderen. In de jaren tachtig en negentig werden vele Vlaamse familiale ondernemingen naar Nederland geloodst. Onze noorderburen hebben immers een eeuwenlange traditie met stichtingen. Hun stichting-administratiekantoor is een prima middel om via certificering (overdracht van aandelen in ruil voor certificaten) de controle over het bedrijf (de aandelen) te scheiden van de economische waarde ervan (de certificaten). Vandaag bekijkt men bij zo'n certificeringsoperatie ook of de nieuwe Belgische private stichting kan worden gebruikt, maar op het moment dat Pierre-Paul zijn vermogensplanning deed, bestond die nog niet, en was de trip naar Nederland noodzakelijk. Overigens zijn er nog steeds veel redenen om dat te blijven doen. Zes jaar geleden droeg Pierre-Paul dus zijn duizend aandelen van Multiblain over aan een stichting-administratiekantoor in Rotterdam, en kreeg in ruil duizend certificaten. Die schonk hij bij een Nederlandse notaris aan zijn vijf kinderen in onverdeeldheid, met voorbehoud van het vruchtgebruik voor hem zelf. De stichting is nu eigenaar van de aandelen en beslist wat er in het bedrijf gebeurt. In het bestuur komt alleen Charles-Amédée, de andere kinderen niet. Als er dividenden zijn, worden die automatisch doorgestort naar de certificaathouders: nu nog naar Pierre-Paul omdat hij vruchtgebruiker is, na zijn overlijden naar de vijf kinderen. Zo delen zij gelijk in de winsten. De stichting is fiscaal transparant, zodat er geen bijkomende belastingen zijn op het niveau van de stichting. De certificaathouders worden wel belast alsof de inkomsten rechtstreeks aan hen toekomen. Multiblain boert zo goed dat een grote Amerikaanse groep er een oogje op heeft laten vallen. De Amerikanen doen een bod om het bedrijf over te nemen: 106 miljoen euro. Pierre-Paul gaat door de knieën. Maar hij kan niet de aandelen Multiblain verkopen, want die zijn eigendom van de stichting-administratiekantoor. Wat moet hij dan doen? Een eerste mogelijkheid is dat hij zijn certificaten Multiblain verkoopt aan de Amerikanen. Die krijgen dan de sleutel van het bedrijf, en ook de inkomsten. Maar misschien willen de Amerikanen helemaal geen certificaten. Een tweede mogelijkheid is dat de stichting zelf (het bestuur is onder controle van Pierre-Paul) de aandelen Multiblain verkoopt aan de Amerikanen. De cash die dan binnenkomt, moet rechtstreeks worden doorgestort aan de certificaathouders. Als alle aandelen worden verkocht, komt dit neer op een decertificering (royering), waarbij de certificaathouders alle cash ontvangen en de certificaten geen reden van bestaan meer hebben. Maar wat moet er met al dat geld gebeuren? Op wiens rekening moet dat worden gestort? De certificaathouders zijn immers geen volle eigenaar. Pierre-Paul heeft alleen maar het vruchtgebruik van de certificaten, de kinderen de blote eigendom. Op een familievergadering komt dit heikele punt naar voren. Charles-Théodore, de bon-vivant, heeft advies ingewonnen. Het lijkt hem evident dat de 106 miljoen euro wordt verdeeld over alle gegadigden. Hij heeft zelfs al een hele berekening laten maken. Het vruchtgebruik van Pierre-Paul wordt gewaardeerd volgens een bepaalde formule en komt volgens de zoon op 44 %. De rest moet onder de kinderen in vijf gelijke delen worden verdeeld. De stichting-administratiekantoor moet dus op de rekening van Pierre-Paul een kleine 47 miljoen euro overschrijven. Aan elk van de kinderen moet de stichting dan rechtstreeks een storting doen van iets minder dan 12 miljoen euro. Wereldreiziger Mathilde kan een glimlach niet onderdrukken en de man van Victorine begint hardop te dromen van zijn eigen restaurant. Nog vijf minuten later hebben alle kinderen hun 12 miljoen euro al een bestemming gegeven. Pierre-Paul zucht. Enkele weken geleden las hij nog in Trends dat de families die in de negentiende eeuw de financiële motor van België waren, nu zo goed als verdwenen zijn. Neen, dit mag niet gebeuren. Wat Charles-Théodore voorstelt, is inderdaad de normale regeling als er contractueel niets anders is bepaald. Maar in de schenkingsakte, die ze jaren geleden bij die notaris in Rotterdam hebben getekend, is een clausule van zaakvervanging opgenomen. Dat betekent dat de verhouding van het vruchtgebruik ten opzichte van de blote eigendom, zoals die voor de certificaten gold, wordt voortgezet op het ontvangen kapitaal. De stichting moet dus helemaal niets van de verkoopopbrengst op de bankrekening van de kinderen storten. De stichting zal het bedrag van 106 miljoen euro integraal op de rekening van Pierre-Paul storten. Die is immers vruchtgebruiker, en vruchtgebruik op een som geld is quasi-vruchtgebruik. Dat wil zeggen dat hij min of meer eigenaar wordt van het geld en ermee kan doen wat hij wil. De blote eigenaars, de kinderen dus, hebben een vordering op hun vader tot teruggave van het kapitaal op het moment dat het vruchtgebruik ophoudt. En dat is bij zijn overlijden. Daar hebben de kinderen niet van terug. Hun vader kan naar eigen goeddunken het geld beleggen, investeren of zelfs consumeren, zonder beperkingen. Dat de blote eigenaars wel een controlerecht hebben als hij gekke dingen doet, houdt Pierre-Paul nog maar even stil. Het kapitaal dat de kinderen opeisen na zijn overlijden, wordt afgetrokken van de nalatenschap. Daarop betalen ze dus geen successierechten. En als Pierre-Paul ook af en toe wat kapitaal aan zijn kinderen wegschenkt, kan hij ervoor zorgen dat er bij zijn overlijden helemaal niets te betalen valt. Alain Nijs, Anton van Zantbeek, Alain VerbekeDe stichting moet helemaal niets van de verkoopopbrengst op de bankrekening van de kinderen storten. Het kapitaal dat de kinderen krijgen na het overlijden van hun vader, wordt afgetrokken van de nalatenschap. Daarop betalen ze geen successierechten.