"Een ideologische stoorzender," zo omschreef premier Jean-Luc Dehaene (CVP) verleden week de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso).
...

"Een ideologische stoorzender," zo omschreef premier Jean-Luc Dehaene (CVP) verleden week de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso). Aanleiding voor de uitlating van de eerste minister was het jongste rapport van de Oeso over de toestand van de Belgische economie. De Parijse organisatie licht elk jaar haar 25 leden-lidstaten door. Lang niet voor de eerste keer lag de nadruk in het Oeso-rapport op de desastreuze tewerkstellingssituatie in België en op de noodzaak om het beleid ter zake drastisch om te keren.De Oeso-analyse vormt elk jaar één van de drie vaste ankerpunten in de officiële verslaggeving over de gezondheidstoestand van de Belgische economie. De twee andere komen van het Internationaal Monetair Fonds ( IMF) en de Nationale Bank. Deze twee laatste worden respectievelijk gepubliceerd in oktober en februari. Elk van deze drie rapporten wordt in zekere mate beïnvloed door de regering, de vakbonden en de werkgevers. Medewerkers van zowel het IMF als de Oeso vertoeven immers verschillende dagen in Brussel om hun initiële analyse te bespreken met de regering en de sociale partners. Afhankelijk van de organisatie die het rapport opstelt, kan er meer of minder politieke beïnvloeding doorsijpelen in het finale rapport. Tot op vandaag geldt de IMF-analyse als de meest onafhankelijke. Voor de Nationale Bank moet een onderscheid worden gemaakt tussen het regnum Verplaetse en de periode daarvoor. Sinds Fons Verplaetse op de gouverneursstoel zit, besteedt de Nationale Bank veel meer aandacht aan de politieke realiteit dan aan de degelijkheid en objectiviteit van de naar voren gebrachte analyse van de economische en monetaire situatie van het land. De analyse van de Oeso krijgt traditioneel de duidelijkste politieke inkleuring mee. Dit vertaalt zich meestal in een positieve beoordeling van het gevoerde beleid en enkele, zeer voorzichtig geformuleerde aanbevelingen om dat beleid bij te sturen. In meer algemene, niet-landgebonden analysen durft de Oeso duidelijker stelling nemen. In de landenrapporten evenwel komt het er vooral op aan om "tussen de lijnen te lezen".Deze keer slaagden de Brusselse machtscenakels er dus niet in om de Oeso-analyse af te zwakken en politiek beleefd te maken. De boodschap van de Oeso is ondubbelzinnig : het Belgische tewerkstellingsbeleid is één grote puinhoop. De analyse en de daaruit voortvloeiende beleidsaanbevelingen lopen behoorlijk parallel met wat Trends in zijn 1 mei-plan naar voren brengt (zie omslagverhaal, blz. 36). De kittelorige reactie van Dehaene op de Oeso-analyse, zoals verwoord tijdens en na de academische zitting van Fabrimetal, was bijzonder merkwaardig. Enerzijds ging de premier volledig akkoord met de basisstellingen van de Oeso : België moet dringend werk maken van een verdere verlaging van de loonkosten en een grotere flexibiliteit inzake organisatie van de arbeidsmarkt. Anderzijds beklemtoonde hij dat die veranderingen er moeten komen binnen de bekende contouren van het Belgische overlegmodel. Merkwaardig, want nergens in het Oeso-rapport staat dat dit overlegmodel overboord moet, integendeel zelfs. Waarom werpt Dehaene zich zo nadrukkelijk op als verdediger van dat overlegmodel ? Het is toch volslagen ondenkbaar dat een intelligente man als de eerste minister blind zou zijn voor de flagrante ontsporing van het Belgische overlegmodel. De ruim 1 miljoen niet-werkende, maar wel werkbekwame Belgen vormen één voor één het bewijs van de sociaal-economische inefficiëntie van dat overlegmodel. Als er de voorbije decennia al resultaten werden geboekt dankzij het overlegmodel, werden de kosten daarvan niet zelden afgewenteld op de overheidsbegroting. Het zo vaak geroemde Belgische overlegmodel ligt mee aan de basis van de ontsporing van onze publieke financiën.Aangezien de premier het naar eigen zeggen eens is met de beleidsopties als dusdanig zijn er maar twee mogelijke verklaringen voor de merkwaardige en heftige reactie van de eerste minister op het Oeso-rapport.Eén. Het rapport van de commissie-Dutroux zorgt voor grote politieke problemen, onder meer inzake de nieuwe structuur van de politiediensten, de mogelijke politieke sancties en de corporatistische reflexen vanuit de magistratuur. Op deze politieke agenda heeft Dehaene weinig of geen vat, en dergelijke situaties haat de premier. Met zijn uitval naar het Oeso-rapport tracht Dehaene de aandacht opnieuw naar het sociaal-economische vlak te verschuiven en zodoende een agenda te creëren die hij wel kan dicteren. Twee. Jean-Luc Dehaene weet dat ons overlegmodel grondig door elkaar geschud moet worden. Hij acht evenwel het ogenblik politiek niet opportuun om ter zake in zijn kaarten te laten kijken. Het grote probleem met deze mogelijke strategie van de eerste minister is dat er in België altijd wel een of andere uitvlucht voorhanden is als er ernstige ingrepen moeten plaatsvinden. Al te vaak komt er van uitstel afstel, waardoor cfr. de begrotingsronden van de voorbije jaren men dan van het ene crisisplan in het andere tuimelt zonder ooit echt de zaken grondig aan te pakken. Johan Van Overtveldt