Starters moeten 30 procent zelf inbrengen

Veel startende ondernemers kloppen voor een lening aan bij hun bank. Maar vaak weten ze amper hoeveel geld ze precies nodig hebben. En ze onderschatten het kapitaal dat ze zelf moeten ophoesten voordat ze een lening krijgen.

De exacte financieringsbehoeften analyseren, eigen middelen investeren, uitzoeken welke geldbronnen in aanmerking komen, een aanvraag indienen bij een steunfonds: het onderzoek naar de meest geschikte financiering is niet eenvoudig voor een starter. Walter Matyja, relatiebeheerder ondernemingen bij Belfius, loodste de zes kandidaat-starters van het RTBF-programma Starter! (elke donderdag om 20.05 uur op La Une) door dit proces. Zoals bij veel ondernemers merkte hij enkele zwakke punten op. “Sommigen schatten hun reële financieringsbehoeften slecht in. Voor je bij de banken gaat aankloppen, moet je echt weten hoeveel geld je nodig hebt om van start te gaan. Dat lijkt simpel, maar sommige starters denken alleen maar aan evidente materiële noden zoals hun machinepark. Gedreven als ze zijn, vergeten ze dat ze ook over het nodige bedrijfskapitaal moeten beschikken. Vanaf het begin moeten ze rekeningen betalen (lonen, huur, aankoop grondstoffen), terwijl hun product niet onmiddellijk verkocht raakt of de klanten niet meteen hun facturen betalen.” Het is cruciaal dat starters die behoeften correct inschatten voor ze een bank opzoeken.

Cofinanciering van banken en fondsen

Matyja merkt ook dat de kandidaten zich er niet altijd bewust van zijn dat ze ook eigen middelen moeten investeren. Het gebeurt immers zelden of nooit dat de banken 100 procent van de behoeften financieren. Aan een precies cijfer waagt hij zich niet, maar volgens Matyja ligt de verhouding ongeveer op 30 procent eigen vermogen en 70 procent geleend kapitaal. “Het hangt van veel factoren af, maar de bank probeert altijd de risico’s te spreiden en wil zeker zijn dat de ondernemer zich echt engageert.” Veel starters hebben niet het eigen vermogen dat de bank vraagt, maar ze zijn ook niet goed op de hoogte van andere steunmechanismen. Ze kunnen zich immers richten tot businessangels of (publieke of private) investeringsfondsen. “Dan moeten ze natuurlijk wel hun kapitaal openstellen en bereid zijn om niet alleen de besluitvorming, maar ook een deel van de winst te delen”, aldus Matyja. Ook een cofinanciering tussen de bank en instellingen zoals het Participatiefonds kan het kapitaalstekort opvangen. “Banken stellen de kapitaalinbreng van zulke instellingen (in de vorm van een achtergestelde lening, zodat de bank als eerste wordt terugbetaald) bijna gelijk met eigen vermogen. Toch gaat het wel degelijk om een lening die moet worden terugbetaald en waarop interest wordt aangerekend.”

Deze formule kan de inbreng van eigen vermogen niet vervangen: de ondernemer moet altijd zelf een deel van het kapitaal investeren. Voor de steunfondsen is dat een bewijs van zijn motivatie.

CHRISTOPHE CHARLOT

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content