Sport als spiegel van de economie

Geert Noels Geert Noels is chief economist van Econopolis.

E en gezonde economie stimuleert de sportprestaties. En tegelijk is sport ook de beste managementopleiding. De minister van Economie zou er dus best sport als bevoegdheid bij krijgen.

We zitten in een olympisch jaar. De medailleoogst is goed voorspelbaar op basis van gegevens zoals bevolking, politieke geschiedenis, voorbije prestaties én vooral economische prestaties. Economische welvaart is, zo blijkt uit een studie van PricewaterhouseCoopers uit 2004, de belangrijkste olympische succesfactor.

Olympisch succes voorspelbaar. China is nog niet de sterkste economie ter wereld, maar wel al de grootste vervuiler en weldra ook de grootste olympische medailleslokop. Het gastland zal de VS voor het eerst van het hoogste schavotje stoten. En toch blijft de prestatie van China ondermaats vergeleken met de grootte van zijn economie en bevolking. Bij de grote landen blijft Rusland het best scoren. Het slechtst presteert dan weer India, dat zijn grootte nooit in medailles heeft kunnen omzetten (zie tabel: Olympisch succes).

De oogst wordt ook over een almaar groter aantal landen gespreid. Globalisering in de sport is dus een feit. Informatie en trainingsprogramma’s zijn beter beschikbaar voor alle atleten. Doping blijft uiteraard ook een rol spelen, en de laksere controles in sommige landen leveren hen een potentieel voordeel op in medailles. De verdwijntrucs van de Chinezen bijvoorbeeld doen die van wielrenner Rasmussen verbleken.

En wat met België en Nederland? Tijdens de Spelen van Parijs in 1900 behaalde België bijna vier keer meer medailles dan Nederland (15 tegenover 4). In 2004 in Athene bedroeg de verhouding … één op zeven (3 tegen 22).

Recept voor olympisch succes. Er zijn een aantal succesvolle strategieën naar méér olympisch goud:

Je kan buitenlands talent aantrekken. De Keniaan Wilson Kipketer won zilver voor Denemarken, de Oostenrijker Marc Girardelli skiede voor Luxemburg, de Nederlander Bart Veldkamp schaatste voor België. Het is dus net als in de economie: het land dat de buitenlandse elite weet aan te trekken, wint ten koste van het land dat jaren in talent heeft geïnvesteerd.

Focussen op enkele sporttakken is een andere strategie, liefst natuurlijk op deze die veel medailles opleveren. Eén topzwemmer kan de medailleoogst geweldig opblazen, zoals destijds Mark Spitz en recenter Pieter van den Hoogenband of Ian Thorpe bewezen. Kinderen met reuzenhanden en -voeten kan je dus best koesteren. Groepssporten zijn leuk, maar leveren slechts één medaille op.

Investeren in jeugdopleiding is dan weer een langetermijnstrategie, en alleen succesvol bij een elitaire aanpak. Niet evident in onze maatschappij. Ten slotte is het belangrijk om zich constant met de besten te meten. Dat is een handicap voor kleinere landen, die daarom hun competities dringend moeten internationaliseren.

Merk de treffende parallel tussen sportbeleid en economisch beleid: focus, investeren, talent aantrekken, internationaliseren …

Minister van Sport én Economie. Net als op economisch vlak gelooft men bij ons vooral in de betonpolitiek: ‘bouw stadions en er zullen topatleten geboren worden’. Infrastructuur is natuurlijk belangrijk, maar dan niet de egostrelende megastadions waar men in België een voorkeur voor heeft. De nadruk op het vlak van infrastructuur moet verplaatst worden naar het lokale niveau: loopparcoursen met zachte ondergrond, fietspaden, degelijke en veilige openbare zwemba-den …

Minstens twee uur sport per week op school kost zelfs niets. Maar dan klinkt het dat daar geen tijd voor is. Noem dat extra sportuur dan misschien ondernemerschap, teambuilding of mentale training, want dat is sport allemaal. Je leert er minstens drie essentiële dingen:

Doelen stellen,en die trachten te verbeteren. Sport vereist planning, inschatting, training. Niet altijd leuk, maar erg nuttig als professionele ervaring.

Frustraties overwinnen, mentale weerbaarheid kweken. Sport is zelfs een natuurlijk antidepressivum. Tegelijk verplicht sportbeoefening je om op je voeding en evenwichten te letten.

Permanente zelfevaluatie: sterkten en zwakten aanvaarden en trachten te verbeteren. Er is trouwens altijd een sport die bij iemand past – lang, zwaar, licht of lenig.

En een ploegsporter doet nog een vierde ervaring op: elkaar vertrouwen en aanvullen. Een team is sterker dan de groep individuen.

Sport is dus een van de beste managementopleidingen. Het ontwikkelt bij de jeugd doorzetting, leiderschap, zelfvertrouwen en creativiteit. Allemaal dingen die we nodig hebben voor meer ondernemerschap. Sport is dus belangrijk voor de economie.

In Vlaanderen is de minister van Cultuur (Bert Anciaux) verantwoordelijk voor sport. In Wallonië valt sport onder de bevoegdheid van Michel Daerden, die er ook begroting en openbare besturen bij neemt. In Nederland maakt sport deel uit van de portefeuille van minister van Volksgezondheid (Ab Klink). Zou de minister van Economie er niet beter sport bij krijgen? Animus sanus in corpore sano (1) kan worden omgevormd tot economica sana in animo sportivo: een gezonde economie zit in een gezonde sportcultuur.

DE AUTEUR IS HOOFDECONOOM VAN PETERCAM VERMOGENSBEHEER. REACTIES: visienoels@trends.be

(1) DIT ACRONIEM IS OOK DE SLOGAN VAN HET SPORTMERK ASICS.

Geert Noels

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content