A bsolutely no sports," zo antwoordde de krasse tachtiger Winston Chur- chill gevat toen een reporter hem vroeg wat het geheim was van zijn lange leven. Volgens sommigen zou de Britse premier - die uiteindelijk negentig jaar oud werd - er ook "only whiskey" aan hebben toegevoegd...
...

A bsolutely no sports," zo antwoordde de krasse tachtiger Winston Chur- chill gevat toen een reporter hem vroeg wat het geheim was van zijn lange leven. Volgens sommigen zou de Britse premier - die uiteindelijk negentig jaar oud werd - er ook "only whiskey" aan hebben toegevoegd... Sport laat in ieder geval niemand onverschillig. Tennis of wielrennen, voetbal of snooker, sport betekent emotie, grenzen verleggen, ja zelfs kunst. En sport blijkt ook iets te zeggen over de economische gezondheid van landen. Welke landen zijn sportief? Een eerste probleem is natuurlijk: hoe meet je de sportiviteit van een land? Het aantal behaalde medailles op de Olympische Speken lijkt me de meest objectieve en breedste methode. Daarbij is een gouden medaille belangrijker dan een bronzen. De medailleoogst moet dus herwogen worden voor goud, zilver of brons. Grote landen hebben natuurlijk een voordeel. Het is maar normaal dat de VS en China meer medailles behalen. Een 'per capita'-score zuivert voor dit effect. Tijdens de Olympische Spelen van 2004 legden enkele landen beslag op uitzonderlijk veel medailles. Australië bijvoorbeeld won meer dan vier keer het aantal medailles dat normaal zou mogen worden verwacht van een land van dergelijke omvang. Ook Hongarije, Noorwegen en Nieuw-Zeeland bleken zeer sportief. België dan weer scoorde erg slecht: 60 % onder het gemiddelde, gecorrigeerd voor de bevolkingsomvang. Het slechtst presteerde India, dat 16 % van de wereldbevolking telt maar slechts één (zilveren) medaille behaalde (0,1 % van het totaal). Sport en economie: een verband? Als we de analyse toespitsen op Europa, merken we belangrijke verschillen tussen de landen. Waarom scoren sommige erg goed en zetten andere amper sportieve wereldprestaties neer? Waarnemers beweren dat de beste atleten in de miserie worden gekweekt. Voor heel wat topsporters - zoals gewezen wielrenner Lance Armstrong en de Williams-tenniszussen - was sport een manier om uit de miserie te klimmen. Is een zwakke economie dan goed voor topsport? Neen, de bepalende factor is niet de rijkdom, maar wel de dynamiek van een land. Dezelfde factoren die ook de dynamiek van een economie bepalen, zijn dus ook belangrijk voor het behalen van sportieve prestaties. Het World Economic Forum (WEF) stelt elk jaar een lijst op met de meest competitieve landen. In zijn analyse geeft het WEF ook een macro-economische score. Die bestaat uit een mix van allerlei parameters die verband houden met economische efficiëntie en groeipotentieel. En wat blijkt? Landen met een sterke economische dynamiek scoren ook significant beter in de sport. De grafiek rechts toont dat sterk positieve verband. Eén land - meer bepaald Griekenland - springt hier uit de band. Sportief scoort dat land goed, maar op het vlak van economische prestaties zet het eerder een zwakke score neer. De verklaring is eenvoudig: als organiserend land van de Olympische Spelen 2004 speelde er een duidelijke home bias mee. Het land oogstte veel medailles, al dan niet geholpen door de aanmoedigingen van het thuispubliek of door extra sportieve vondsten - zoals de dopingvlucht van de atleten Kostas Kenteris en Katerina Thanou laat vermoeden. Maar de boodschap blijft wél overeind: een land presteert sportief beter als ook zijn economie dynamisch is. Wat niet noodzakelijk betekent dat er ook een oorzakelijk verband is - zoals gezegd, kan de relatie wijzen op gemeenschappelijke oorzaken. En er zijn uiteraard ook andere factoren die de sportieve score van een land bepalen: de omvang blijft toch belangrijk (je zou dan moeten zuiveren voor de vele estafettemedailles). Ook uitzonderlijke talenten (denk aan de zwemmers Pieter Van den Hoogenband voor Nederland of Ian Thorpe voor Australië) kunnen de score opkrikken. Maar dergelijke supertalenten worden nu net iets gemakkelijker gekweekt in dynamische landen. Competitieve omgeving goed voor prestaties. De wisselwerking tussen sport en economie geldt ook in de andere richting. De economie kan veel leren van de sport. Een sportieve geest is cruciaal voor de economie, maar ook voor de ondernemingen en het menselijk potentieel van een land. Er zijn namelijk drie karakteristieken in de sport die ook kunnen helpen om de economische prestaties te verbeteren: In sport primeert de wil om te winnen, maar men kan meer leren uit een nederlaag. Sport leert uitdagende doelen te stellen en grenzen te verleggen. Topsport dwingt om oog te hebben voor details en perfectionisme na te streven. Sport is dus een spiegel én een leerschool voor de economie. Een land dat geen competitieve spirit heeft, zal economisch én sportief achteruitgaan. En is dat niet het probleem vandaag? En wat dan met de uitspraak van Churchill? Ik ben nog niet half zo oud als Churchill op het moment dat die zijn fameuze uitspraak deed. Maar nu al weet ik dat een leven zonder sport maar een half leven is! De auteur is hoofdeconoom van Petercam Vermogensbeheer. Reacties: visienoels@trends.beGeert Noels