Het wettelijk pensioen staat steeds meer onder druk. Dat komt doordat de Belgische overheid de pen-sioenen betaalt via een repartitiestelsel: de pensioenen van de mensen die niet meer werken, worden betaald door de bijdragen van het actieve deel van de bevolking. Dat systeem werkt perfect, zolang er voldoende mensen aan het werk zijn. Maar die verhouding staat onder druk. De Belgische bevolking wordt ouder en mensen stappen vlugger uit het arbeidscircuit via stelsels als het brugpensioen en het vervroegde pensioen -- een dodelijke combinatie.
...

Het wettelijk pensioen staat steeds meer onder druk. Dat komt doordat de Belgische overheid de pen-sioenen betaalt via een repartitiestelsel: de pensioenen van de mensen die niet meer werken, worden betaald door de bijdragen van het actieve deel van de bevolking. Dat systeem werkt perfect, zolang er voldoende mensen aan het werk zijn. Maar die verhouding staat onder druk. De Belgische bevolking wordt ouder en mensen stappen vlugger uit het arbeidscircuit via stelsels als het brugpensioen en het vervroegde pensioen -- een dodelijke combinatie. De overheid heeft al enkele maatregelen genomen om de Belgen langer aan het werk te houden. Een daarvan is de invoering van een pensioenbonus voor werknemers en zelfstandigen die aan de slag blijven nadat ze 62 zijn geworden of 44 jaar hebben gewerkt. Hun wettelijk pensioen wordt verhoogd met 156 euro per kwartaal voor zelfstandigen en met 2,21 euro per werkdag voor werknemers. De minimumleeftijd voor het vervroegde pensioen is opgetrokken van 60 naar 62 jaar en de minimale loopbaan om vroeger met pensioen te kunnen gaan, is verhoogd van 35 naar 40 jaar. Het wordt ook moeilijker om met brugpensioen te gaan. Vanaf 2015 kan een werknemer dat pas vanaf zijn 60ste, als hij minstens 40 jaar heeft gewerkt. De wettelijke pensioenleeftijd blijft voorlopig op 65 jaar, zowel voor mannen als voor vrouwen. Maar het is de vraag hoelang België dat kan volhouden. De meeste buurlanden hebben de pensioenleeftijd al verhoogd tot 67 jaar. Even belangrijk is dat mensen langer actief blijven. Het heeft geen zin de pen-sioenleeftijd op te trekken als slechts 5 procent van de Belgen blijft werken tot zijn 65ste. Uit cijfers van het Neutraal Syndicaat voor Zelfstandigen blijkt dat het gemiddelde bruto wettelijk pensioen van zelfstandigen vorig jaar 787 euro bedroeg. Voor werknemers was dat 1076 euro en voor ambtenaren 2370 euro. Enkel rekenen op uw wettelijk pensioen is dus geen goed idee als u uw levensstandaard na uw pensionering op peil wilt houden. U kunt uw wettelijk pensioen aanvullen via de tweede en de derde pensioenpijler. De tweede pensioenpijler omvat de aanvullende collectieve pensioenen. Voor werknemers gaat het vooral om groepsverzekeringen. Zelfstandigen kunnen naast een groepsverzekering ook kiezen voor het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (VAPZ). Tot de derde pensioenpijler behoren de aanvullende pensioenvormen die u individueel kunt afsluiten en die een fiscaal voordeel opleveren, zoals individuele levensverzekeringen en het fiscale pensioensparen. Hoe kunt u via de tweede en de derde pijler een optimaal pensioen opbouwen? Om die vraag te beantwoorden, maken we een onderscheid tussen werknemers -- kaderleden, bedienden en arbeiders -- en zelfstandigen die al dan niet actief zijn in een vennootschap (zie ook tabel De ideale pensioenopbouw). Het grootste deel van de premies van een groepsverzekering wordt gedragen door de werkgever, maar u kunt ook zelf bijdragen betalen. Er geldt geen fiscaal maximum voor de premies die u zelf stort. In het reglement van uw groepsverzekering vindt u terug hoeveel premies u mag storten. De groepsverzekering die u hebt via uw werkgever kunt u combineren met een individuele levensverzekering of met een pensioenspaarcontract. Voor die premies geldt wel een fiscaal maximum. Voor het inkomstenjaar 2012 mag u voor een individuele levensverzekering tot 2200 euro en voor het pensioensparen tot 910 euro betalen. Maar zolang u een hypothecaire lening aflost voor uw eigen en enige woning, hebt u in principe geen fiscale ruimte over om de premies van een individuele levensverzekering fiscaal af te trekken. In zo'n geval hebben de terugbetaalde kapitaalaflossingen en intresten en de gestorte premies van de schuldsaldoverzekering van uw lening voorrang. Het pensioensparen kunt u wel fiscaal combineren met de terugbetaling van een woningkrediet. Als u een zelfstandige bedrijfsleider met een vennootschap bent, kunt u een VAPZ afsluiten. Dat kunt u aanvullen met een extralegaal pensioen -- zoals een groepsverzekering of een individuele pensioentoezegging (IPT) -- dat wordt opgebouwd via de vennootschap. Er geldt wel een belangrijke fiscale beperking -- de zogenoemde 80 procentregel. Het totale opgebouwde pensioen -- VAPZ plus groepsverzekering plus wettelijk pensioen -- mag niet hoger liggen dan 80 procent van de laatste bezoldiging die u naar verwachting zult krijgen voordat u met pensioen gaat. De berekening van die grens is altijd een prognose, die elk jaar van uw actieve carrière wordt herbekeken. Gaat u voorbij die limiet, dan kan de vennootschap de premies die ze betaalt voor de groepsverzekering fiscaal niet meer in mindering brengen. Net als een werknemer hebt u toegang tot individuele levensverzekeringen (maximaal 2200 euro per jaar) en het fiscale pensioensparen (maximaal 910 euro per jaar). Ook zelfstandigen kunnen de premies van een individuele levensverzekering fiscaal niet aftrekken als ze een hypothecaire lening terugbetalen voor hun eigen en enige woning. Ook als u een zelfstandige bent die niet actief is in een vennootschap, kunt u een VAPZ afsluiten. U hoeft dan geen rekening te houden met de 80 procentregel, want die geldt enkel voor zelfstandigen met een vennootschap. U kunt naast het VAPZ ook gebruikmaken van de pen-sioenvoorzieningen van de derde pen-sioenpijler, zoals een individuele levensverzekering en het fiscale pensioensparen. Ook hier hebt u meestal geen fiscale ruimte over om de aftrek van een hypothecaire lening en die van de premies van een individuele levensverzekering te combineren. U kunt het kapitaal van uw groepsverzekering vanaf uw 60ste opvragen tegen een fiscaal voordelig tarief. Maar de regering-Di Rupo heeft de eindkapitalen van groepsverzekeringen die worden opgebouwd met bijdragen van werkgevers en vennootschappen zwaarder belast als ze vroeger dan op 65 jaar worden uitbetaald. Daarmee wil ze de Belgen ertoe aanzetten langer te werken. Wacht u tot uw 65ste om het eindkapitaal van uw groepsverzekering te innen en bent u de drie jaar daarvoor ononderbroken blijven werken, dan betaalt u slechts een eenmalig tarief van 10 procent. Die belasting gaat geleidelijk omhoog naarmate u zich het geld vroeger laat uitbetalen. Bij een uitkering tussen 62 en 64 jaar betaalt u een belasting van 16,5 procent. Op uw 61ste draagt u 18 procent af, op uw 60ste 20 procent. Voor het deel van het kapitaal dat u met persoonlijke bijdragen opbouwt, blijft het tarief van 10 procent behouden voor uitkeringen vanaf 60 jaar (zie tabel Langer werken, minder belasting betalen). Het kapitaal dat bestaat uit persoonlijke bijdragen wordt belast tegen 33 procent als u het opvraagt voor uw 60ste. Overlijdt u voor de einddatum van de groepsverzekering, dan wordt het kapitaal uitbetaald aan de begunstigde die u hebt aangeduid in het contract. De uitkering wordt dan belast tegen 16,5 procent. Bij al die tarieven komt ook nog eens de gemeentebelasting. Woont u bijvoorbeeld in een gemeente met 7 procent opcentiemen, dan betaalt u bij een tarief van 10 procent eigenlijk 10,7 procent (16,5 % x 1,07). De aanvulling van het wettelijk pensioen via de tweede en de derde pijler volstaat meestal niet om vrij van financiële zorgen met pensioen te gaan. Zo heeft niet iedereen een groepsverzekering via zijn werkgever. En niet iedereen doet aan pensioensparen, hoewel elke belastingplichtige dat in principe kan doen. Het fiscale pensioensparen, waarvoor u maximaal 910 euro per jaar kunt storten, levert ook geen schatten op. Stel dat iemand op zijn 30ste begint met pen-sioensparen en tot zijn 65ste de maximaal aftrekbare fiscale premies betaalt. Als we uitgaan van een nettorendement van 3,97 procent per jaar en een belasting van 10 procent op het eindkapitaal, levert dat de spaarder op zijn 65ste een nettokapitaal van 48.490 euro op. Het is dus verstandig gebruik te maken van de vierde pensioenpijler. Daaronder worden de individuele spaarinspanningen verstaan waar geen fiscale voordelen aan verbonden zijn. Als u eigenaar van een eigen woning bent wanneer u met pensioen gaat, scheelt dat een flinke slok op de borrel, want u hoeft dan geen huur te betalen. Hebt u nog een of meer andere onroerende goederen en verhuurt u die, dan vormen die huurinkomsten een belangrijke aanvulling op uw pensioen, vooral als u voor die onroerende goederen geen leningen meer hebt lopen. Naast vastgoed bestaan er verscheidene spaarformules op lange termijn. De juiste keuze hangt af van factoren zoals uw leeftijd, de levensstandaard die u wilt aanhouden en uw risicoprofiel. Bent u meer dan 15 jaar verwijderd van uw pensioen, dan mogen aandelen en aandelenfondsen een overwicht hebben in uw beleggingsportefeuille. Komt uw pen-sioenleeftijd al in zicht, dan opteert u het beste voor een meerderheid van vastrentende beleggingen als obligaties, staatsbons en tak21-producten (beleggingsverzekeringen met een vast rendement). Ook tak26-producten komen in aanmerking. Dat zijn kapitalisatiepolissen met een gewaarborgd minimumrendement, eventueel verhoogd met een winstdeelneming. Sommige banken en verzekeraars hebben een speciaal spaarconcept uitgedacht voor de vierde pensioenpijler. Meestal gaat het om pensioenspaarplannen die bestaan uit twee levensverzekeringen die elkaar aanvullen. Het ene deel bestaat uit een tak21-verzekering, waarbij u met stortingen een gegarandeerd kapitaal kunt opbouwen. Het andere is een tak23, waarbij de premies worden geïnvesteerd in een beleggingsfonds. Die formule houdt dus meer risico's in. Naarmate de einddatum van het pensioenspaarplan nadert, wordt er minder kapitaal in aandelen gestopt en meer in obligaties, zodat het risico afneemt. Meestal kunt u kiezen tussen maandelijkse stortingen (met een minimum van bijvoorbeeld 50 euro), jaarlijkse bijdragen (met een minimum van bijvoorbeeld 500 euro) of een eenmalige storting (met een minimum van bijvoorbeeld 5000 euro). Omdat er geen fiscale voordelen zijn verbonden aan de opbouw van het pensioenkapitaal, hoeft u ook geen rekening te houden met een belasting op het eindkapitaal. JOHAN STEENACKERSBent u zelfstandige, dan moet u zeker overwegen om een sociaal VAPZ af te sluiten. Verwacht geen wonderen van de tweede en de derde pensioenpijler, zeker niet als u werknemer bent.