Giften zijn onder bepaalde voorwaarden en binnen bepaalde perken aftrekbaar van het belastbare inkomen. Een van de voorwaarden luidt dat de giften moeten worden gedaan aan welbepaalde instellingen. Een aantal van die instellingen staat in het wetboek met naam vermeld. Zo bijvoorbeeld het Rode Kruis van België, de Koning Boudewijnstichting, de Belgische universiteiten, de OCMW's enzovoort.
...

Giften zijn onder bepaalde voorwaarden en binnen bepaalde perken aftrekbaar van het belastbare inkomen. Een van de voorwaarden luidt dat de giften moeten worden gedaan aan welbepaalde instellingen. Een aantal van die instellingen staat in het wetboek met naam vermeld. Zo bijvoorbeeld het Rode Kruis van België, de Koning Boudewijnstichting, de Belgische universiteiten, de OCMW's enzovoort. Voor de meeste instellingen geldt evenwel dat zij door de koning of de bevoegde minister erkend moeten zijn. Dit is onder meer het geval voor culturele instellingen, wetenschappelijke instellingen, instellingen voor monumentenzorg, vzw's die dierenasielen beheren, enzovoort enzovoort. Neem bijvoorbeeld de culturele instellingen. Die kunnen slechts erkend worden (met het oog op het ontvangen van fiscaal aftrekbare giften) als hun invloedsgebied een van de gemeenschappen of het gehele land bestrijkt. Bovendien moeten zij zich bezighouden met culturele aangelegenheden. Uit die voorwaarden volgt dat heel wat instellingen eenvoudig niet erkend kunnen worden als culturele instelling. Bijvoorbeeld omdat zij zich bezighouden met artistieke vorming, met sociale promotie enzovoort. Want die activiteiten worden volgens de administratie niet als culturele aangelegenheden aangemerkt. Vereist is dat de instelling zich bezighoudt met de verspreiding van de cultuur, met name op het gebied van vrijetijdsbesteding en toerisme, lichamelijke opvoeding, sport en openluchtleven, jeugdbeleid, bibliotheken, schone kunsten enzovoort. Zoals gezegd, is bovendien vereist dat de betrokken instelling een invloedsgebied heeft dat ver genoeg reikt (een van de gemeenschappen of het gehele land). Een culturele instelling met een louter lokale uitstraling kan dus ook niet worden erkend. Nadeel. Niet-erkende instellingen hebben op het gebied van fondsenwerving een belangrijk concurrentieel nadeel. Zij kunnen aan hun milde schenkers geen fiscale attesten uitreiken. Een gift aan een niet-erkende instelling kost daardoor aan de schenker in het slechtste geval meer dan dubbel zoveel als een gift aan een wel erkende instelling. Maar de Belgen zouden de Belgen niet zijn als zij voor dit probleem geen praktische oplossing gevonden zouden hebben. Die bestaat erin een gift aan een niet-erkende instelling te laten lopen over een wel erkende instelling. De wel erkende instelling ontvangt de gift, reikt het fiscale attest uit, en geeft de gift vervolgens in de vorm van een subsidie door aan de niet-erkende instelling. Iedereen gelukkig. De niet-erkende instelling heeft haar centen. En de schenker heeft zijn attest. De enige verliezer was de fiscus. Die trok dan ook jaren geleden ten strijde. Zijn stelling luidde dat een erkende instelling niet als een soort doorgeefluik mag dienen voor giften aan niet-erkende instellingen. Als zij dat toch doet, dan mag zij voor de giften die zij doorgeeft aan een niet-erkende instelling geen fiscale attesten uitreiken. Kier. Maar de fiscus liet de deur wel op een kier staan. Onder zeer strikte voorwaarden aanvaardde hij dat een erkende instelling toch fiscale attesten mag uitreiken voor giften die zij gebruikt om een niet-erkende instelling te subsidiëren. Een van die voorwaarden luidde dat de erkende instelling volledig autonoom moet kunnen beslissen wat zij met de verkregen gift aanvangt. De schenker mag wel verzoeken om de gift te gebruiken ter subsidiëring van een niet-erkende instelling. Maar de erkende instelling moet totaal vrij zijn om wel of niet op dat verzoek in te gaan. De schenker mag zijn verzoek dus niet formuleren als een uitdrukkelijke voorwaarde voor zijn gift. Dat betekent ook dat een erkende instelling niet systematisch mag ingaan op verzoeken van schenkers om de giften door te geven aan niet-erkende instellingen. Versoepeling. Onlangs heeft de administratie deze aangelegenheid opnieuw onderzocht. Ondanks de voormelde voorschriften stelt zij vast dat in de praktijk wel systematisch gehoor gegeven wordt aan verzoeken van schenkers om giften aan te wenden ter subsidiëring van niet-erkende instellingen. De administratie heeft daarom besloten een soepeler houding aan te nemen. Voortaan mag een erkende instelling wel systematisch rekening houden met de verzoeken van schenkers (om de giften door te sluizen naar niet-erkende instellingen). Maar de voorwaarden waaronder die versoepeling geldt, zijn strenger dan ooit. Die komen er kort gezegd op neer dat het doorsluizen van giften alleen kan voor projecten die in principe 'eigen' projecten van de erkende instelling zijn, maar waarvan zij de uitvoering heeft uitbesteed aan een niet-erkende instelling. Dat moet duidelijk allemaal op papier staan. Uit de communicatie met de buitenwereld - en met de schenkers - moet dat ook uitdrukkelijk blijken. Bijkomende voorwaarden moeten er onder meer voor zorgen dat een gebeurlijk overschot aan giften niet aan de niet-erkende instelling wordt uitbetaald. Afwachten of en hoe de praktijk deze nieuwe spelregels assimileert. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck