De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Een werkgever die aan zijn werknemers bepaalde voordelen wil toekennen, moet niet alleen rekening houden met het fiscale statuut van die voordelen. Hij zal ook moeten nagaan hoe die voordelen op het gebied van de socialezekerheidsbijdragen behandeld worden. De fiscale benadering loopt immers niet in alle gevallen gelijk met de behandeling die de voordelen op het gebied van de sociale zekerheid te beurt valt. Maaltijdcheques. Het probleem is niet nieuw. Zo zult u zich herinneren dat gedurende vele jaren op het gebied van de maaltijdcheques belangrijke verschilpunten hebben bestaan. De voorwaarden waaronder maaltijdcheques vrijgesteld werden van socialezekerheidsbijdragen waren op een aantal punten strenger dan de voorwaarden waaronder dezelfde maaltijdcheques vrij van belasting bleven. De moeilijkheden laten zich raden. Een werkgever die uitsluitend naar de fiscale voorwaarden keek, kon het meemaken dat de vrijstelling van socialezekerheidsbijdragen aan zijn neus voorbijging, omdat niet voldaan was aan de strengere voorwaarden op sociaal gebied. Wou hij zowel de fiscale als de sociale vrijstelling genieten, dan moest hij zich houden aan de voorwaarden op sociaal gebied. In de loop der jaren zijn wel enkele pogingen ondernomen om de beide regelingen beter op elkaar af te stemmen. Maar volledige eensgezindheid is blijkbaar nooit mogelijk geweest. Uiteindelijk heeft de fiscus besloten zich neer te leggen bij de suprematie van de sociale reglementering, en de fiscale vrijstelling gewoon te koppelen aan de sociale voorwaarden. Sindsdien - en dat is nu al verscheidene jaren - heerst er rust op het front van de maaltijdcheques. Geschenken. Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen. Maar die volkswijsheid is blijkbaar niet aan de fiscale en sociale regelgever besteed. Want na alle moeilijkheden die de maaltijdcheques jarenlang hebben geteisterd, trekken zich nu donkere wolken samen boven het probleem van de geschenken en de geschenkcheques. Sociale voordelen zijn niet belastbaar in hoofde van de werknemer die ze ontvangt. Tegelijk geldt dat ze in hoofde van de werkgever niet als beroepskost aftrekbaar zijn. Nochtans wordt in de praktijk aanvaard dat sommige geschenken, ondanks hun vrijstelling als sociaal voordeel, toch nog door de werkgever als beroepskost afgetrokken kunnen worden. Dat is (onder bepaalde voorwaarden) het geval voor geschenken die bij sommige feesten, zoals Kerstmis of nieuwjaar worden uitgereikt, of naar aanleiding van het uitreiken van een eervolle onderscheiding, of naar aanleiding van de pensionering. Een van de voorwaarden luidt dat de waarde van de geschenken een bepaald plafond niet mag overschrijden. Belangrijk om weten is dat dergelijke geschenken niet alleen op fiscaal gebied een vrijstelling genieten, maar ook op het gebied van de sociale zekerheid vrijgesteld zijn. Als men aan alle voorwaarden voldoet, blijven zij dus vrij van belasting en van socialezekerheidsbijdragen, terwijl de werkgever de kost ervan toch als beroepskost kan aftrekken. Eind 2002 besliste de minister van Financiën dat het tijd was om de fiscale voorwaarden aan te passen. De belangrijkste verandering betrof het plafond waaronder de geschenken vrijgesteld zijn van belasting. Meest in het oog springend was de wijziging ten aanzien van de geschenken die naar aanleiding van de pensionering gegeven mogen worden. Voorheen gold (wat dit laatste betreft) een grensbedrag van 75 euro. Dat is nu opgetrokken naar 105 euro. Met dien verstande dat men voortaan ook rekening mag houden met de anciënniteit van de werknemer. Per volledig dienstjaar geldt een maximum van 35 euro, met in ieder geval een absoluut minimum van in totaal 105 euro. Iemand die bij zijn pensionering bijvoorbeeld een anciënniteit heeft van veertig jaar, kan aldus in vrijstelling van belasting een geschenk ontvangen van (35 x 40 =) 1400 euro, terwijl de kostprijs van het geschenk in hoofde van de werkgever volledig als beroepskost aftrekbaar is. Waard. Maar dat is buiten de sociale waard gerekend. Weliswaar is de sociale reglementering inmiddels ook aangepast, en voorziet zij ook in een vrijstelling van socialezekerheidsbijdragen voor geschenken in speciën of in de vorm van geschenkcheques die onder vergelijkbare voorwaarden naar aanleiding van de pensionering worden toegekend. Maar in de sociale regeling geldt een bijkomend plafond. De anciënniteit waarmee rekening gehouden mag worden, is beperkt tot 25 jaar. Waardoor het geschenk nooit hoger kan zijn dan (35 x 25 =) 875 euro. Niet erg, zou men denken. Aan iemand met een anciënniteit van veertig jaar kan zodoende een geschenk gegeven worden van (35 x 40 =) 1400 euro, dat volledig vrij blijft van belasting, en dat tot 875 euro vrijgesteld blijft van socialezekerheidsbijdragen. Maar die vlieger gaat niet op. Op het gebied van de socialezekerheidsbijdragen geldt het principe 'alles of niets'. Een geschenk dat niet aan de sociale voorwaarden voldoet (omdat het hoger is dan 875 euro) is niet alleen aan sociale bijdragen onderworpen voor het gedeelte dat de grens overschrijdt, maar wel voor het geheel. Een werkgever die op het gebied van de socialezekerheidsbijdragen geen verrassingen wil, vergeet dus best zo vlug mogelijk de fiscale voorwaarden en houdt zich aan de strengere sociale voorwaarden. En dit zolang de fiscale en de sociale regelgever er niet in slagen hun respectieve reglementeringen op elkaar af te stemmen, of totdat de fiscus opnieuw capituleert. Jan Van DyckOp sociaal gebied geldt een plafond dat fiscaal niet bestaat.