De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.eewerkende echtgenoten van handelaars, nijveraars of landbouwers en van beoefenaars van vrije beroepen hebben tot nog toe een weinig benijdenswaardig sociaal statuut. Als de hulp die zij aan hun echtgenoot bieden, hun enige beroepswerkzaamheid is, dan genieten zij weinig of geen sociale bescherming. Zij bouwen bijvoorbeeld geen eigen pensioenrechten op. LASTEN. Vandaar dat enkele jaren geleden beslist is deze meewerkende echtgenoten zonder sociaal statuut voortaan verplicht te onderwerpen aan het geheel van het sociaal statuut van de zelfstandigen. Daardoor krijgen zij op basis van het werk dat zij als helper van hun echtgenoot presteren toch een eigen recht op sociale uitkeringen. Maar geen lusten zonder lasten. De onderwerping aan het sociaal statuut heeft tot gevolg dat zij ook zelf socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn. De mate waarin zij dit in hun portemonnee zullen voelen, hangt sterk af van de concrete situatie waarin zij zich bevinden. In veel gevallen zal de financiële meerkost al bij al relatief onbelangrijk zijn. In het bestaande stelsel zijn de sociale bijdragen uitsluitend verschuldigd in hoofde van de geholpen echtgenoot. Hij betaalt bijdragen op het geheel, ongeacht of een deel van het beroepsinkomen wel of niet wordt toegekend aan zijn helpende echtgenoot. Bij een beroepsinkomen van 100 betaalt hij bijdragen op basis van 100, ook al wordt daarvan bijvoorbeeld 30 toegekend aan zijn echtgenoot. In het nieuwe stelsel zal de geholpen echtgenoot in het voorbeeld nog slechts socialezekerheidsbijdragen betalen op 70, terwijl de helpende echtgenoot zelf bijdragen zal betalen op 30. Samen betalen zij dus nog steeds bijdragen op basis van 100. Ogenschijnlijk maakt dit geen verschil. MEER. Maar in werkelijkheid zullen nogal wat gezinnen met meewerkende echtgenoten wel aanzienlijk meer socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn. Het sociaal statuut van de zelfstandigen is immers een ingewikkeld stelsel. Het werkt voor de berekening van de bijdragen met minimumgrenzen, tussengrenzen en maximumgrenzen. Zo zijn boven een bepaald plafond geen bijdragen meer verschuldigd. Dat plafond ligt vandaag op 67.300,54 euro. Neem bijvoorbeeld een beoefenaar van een vrij beroep met een inkomen van 120.000 euro waarvan hij 20.000 toekent aan zijn echtgenoot die hem helpt. In de bestaande regeling zal hij (de geholpen echtgenoot) maximaal bijdragen betalen op 67.300,54 euro. In de nieuwe regeling zal hijzelf nog steeds bijdragen verschuldigd zijn op hetzelfde maximum van 67.300 euro, terwijl zijn echtgenoot bijdragen zal moeten betalen op basis van het inkomen van 20.000 euro dat hem wordt toegekend. Samen betalen zij dan bijdragen op (67.300,54 euro + 20.000 euro =) 87.300,54 euro, of op welgeteld 20.000 euro extra. Het echtpaar zou natuurlijk kunnen beslissen om geen beroepsinkomsten meer toe te kennen aan de helpende echtgenoot. Maar dat betekent niet dat geen bijdragen verschuldigd zullen zijn. Wie het statuut van meewerkende echtgenoot heeft, zal in ieder geval een minimumbijdrage moeten betalen, ook als hem geen beroepinkomsten worden toegekend. Die minimumbijdrage bedraagt 229,65 euro per kwartaal (exclusief de administratiekosten van het sociaal verzekeringsfonds waarbij u aangesloten bent). De enige ontsnappingsmogelijkheid bestaat erin, op erewoord te verklaren dat u niet het statuut van helper hebt. Maar een dergelijke verklaring biedt uiteraard slechts uitkomst als zij overeenstemt met de werkelijkheid. Wie ze aflegt, ontzegt zichzelf bovendien de toegang tot het sociale vangnet dat de wetgever heeft willen spannen. Tegelijk verliest u ook het voordeel van de afzonderlijke belasting op het toegekende beroepsinkomen. En dat verlies wordt lang niet in alle gevallen door het huwelijksquotiënt gecompenseerd. OVERGANG. De onderwerping van meewerkende echtgenoten zonder sociaal statuut is niet bruusk doorgevoerd. De wetgever heeft in een overgangsregeling voorzien. Om te beginnen geldt de nieuwe regeling niet voor meewerkende echtgenoten die geboren zijn voor 1 januari 1956. Zij worden slechts volwaardig aan het sociaal statuut van de zelfstandigen - en dus ook aan volledige bijdragebetaling - onderworpen als zij dat zelf willen. Voor de meewerkende echtgenoten die later geboren zijn, was oorspronkelijk in een overgangsregeling voorzien tot eind dit jaar. Tenzij ze zelf opteerden om al meteen volwaardig aan het sociaal statuut van de zelfstandigen onderworpen te worden, zou dit slechts verplicht worden vanaf begin volgend jaar. Maar de wetgever heeft deze overgangsregeling inmiddels ingekort. In de Programmawet van 27 december 2004 staat te lezen dat de verplichte onderwerping een feit is vanaf 1 juli 2005. FISCAAL. De nieuwe regeling heeft ook fiscale consequenties. Meewerkende echtgenoten die volwaardig aan het sociaal statuut van de zelfstandigen onderworpen worden, hebben recht op de aftrek van hun eigen beroepskosten (die bij gebrek aan bewijs op forfaitaire wijze geraamd worden). Keerzijde van de medaille is dat zij zelf voorafbetalingen moeten doen. Maar als de onderwerping niet vrijwillig gebeurt, zouden deze fiscale consequenties - als we de teksten letterlijk nemen - pas vanaf het inkomstenjaar 2006 gelden. En niet vanaf 1 juli van dit jaar, zoals op sociaal gebied het geval zal zijn. Jan Van DyckNogal wat gezinnen met meewerkende echtgenoten zullen aanzienlijk meer socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn.