"Met de muntunie zal een stabiel economisch kader totstandkomen dat van essentieel belang is voor de werkgelegenheid. De gunstige weerslag voor de werkgelegenheid zal nog vergroot worden naarmate vooruitgang wordt geboekt in de realisatie van de nationale actieplannen overeenkomstig de gemeenschappelijke Europese richtlijnen inzake werkgelegenheid." Aldus luidt de verklaring van de eerste minister Jean-Luc Dehaene nadat zowel de Europese Commissie als het Europees Monetair Instituut adviseerden om de monetaire unie met elf landen van start te laten gaan, inclusief België (zie ook blz. 5).
...

"Met de muntunie zal een stabiel economisch kader totstandkomen dat van essentieel belang is voor de werkgelegenheid. De gunstige weerslag voor de werkgelegenheid zal nog vergroot worden naarmate vooruitgang wordt geboekt in de realisatie van de nationale actieplannen overeenkomstig de gemeenschappelijke Europese richtlijnen inzake werkgelegenheid." Aldus luidt de verklaring van de eerste minister Jean-Luc Dehaene nadat zowel de Europese Commissie als het Europees Monetair Instituut adviseerden om de monetaire unie met elf landen van start te laten gaan, inclusief België (zie ook blz. 5). Nu ons land er zo goed als zeker van is dat het EMU-ticket op zak zit, wordt het nationale actieplan voor meer werkgelegenheid de volgende grote prioriteit van de premier. Zijn gesneden worst-filosofie - one thing at the time - blijft hij daarmee trouw. Bijna twintig jaar behoort hij nu tot de spelbepalende figuren die in ons land het speelveld bezetten. In de jaren tachtig legde hij de nadruk op de staatshervorming. In de jaren negentig waren voornamelijk de publieke financiën en het toegangsticket tot de monetaire unie aan de orde. Alles wijst erop dat hij vanaf nu alle aandacht zal focussen op de tewerkstelling. Maar, zo stelt de Dehaene bij de voorbereiding van zijn nationaal werkgelegenheidsplan, van een verdere verlaging van de loonkosten - die bepalend zijn voor de tewerkstelling - kan geen sprake zijn. En dat is jammer, want vergeleken met onze voornaamste concurrenten volgt ons land wat dat betreft, nog steeds een afwijkende koers. Tegelijk blijkt uit de houding van de premier dat een alternatieve financiering van de sociale bijdragen een zinloze optie is, en dat is positief.Aan de automatische koppeling van de lonen aan de index raakt hij vooralsnog niet. Van Dehaene is immers bekend dat hij een zaak pas aanpakt wanneer ze eenmaal het stadium van politiek probleem heeft bereikt. En, mede door de aanhoudend lage inflatie is de automatische indexkoppeling absoluut geen politiek probleem. Met andere woorden: in het tewerkstellingsplan dat in de maak is, zal aan de huidige indexformule niet worden geraakt. Ook dat is jammer, want ondanks de bijna sacrale stilte rond dit fenomeen blijft de index funest. Voor de economische groei. En voor de tewerkstelling. Die index vormt immers de hoofdoorzaak van de discussie die al jarenlang bestaat omtrent de zogenaamde loonmarge. (Een toch wat idiote discussie, want eigenlijk zouden we ons zonder al te groot gevaar voor de concurrentiepositie van onze economie, een loonstijging kunnen veroorloven.) Deze wordt altijd gevoerd met cijfers na de komma omdat, door de index, voortdurende druk komt van onderuit. Nochtans is het veel logischer de mogelijkheden tot loonstijging te bekijken vanaf nul, zoals dat gebeurt in - niet bepaald armoedige landen - als Nederland en Duitsland. Het is duidelijk, het bestaan van de automatische indexkoppeling heeft meerdere nadelen, onder meer dat de loonwaaier erdoor toeklapt. Het verhaal luidt als volgt: het verschil in productiviteitsontwikkeling - tussen sectoren en individuele bedrijven enerzijds en tussen regio's anderzijds - moet aanleiding geven tot een verschil in de loonontwikkeling. Wanneer men dit echter belet - en dit is precies wat de indexkoppeling in hoge mate doet - ontstaat onvermijdelijk werkloosheid. Bedrijven die hogere loonkosten moeten dragen dan hun bestaande arbeidsproductiviteit toelaat, zullen failliet gaan. Tenzij ze de productiviteit via arbeidsbesparende investeringen opvoeren. Om de hoge werkloosheidsgraad (of onze geringe activiteitsgraad) in ons land goed te kunnen begrijpen, is dit cruciaal. Maar er is meer. Het bestaan van de automatische indexkoppeling zorgt ook voor een structurele scheeftrekking in de loononderhandelingen. Door de index gaat het bij die onderhandelingen per definitie steeds om reële loonstijgingen. Komt er echter nul uit de bus, dan is het alsof de werknemersorganisaties er maar voor spek en bonen hebben bijgezeten. Wat men vaak vergeet, is dat - zelfs in een dergelijke situatie - dezelfde koopkracht blijft bestaan. Let wel: we maken abstractie van het feit dat de overheid via verhoging van directe en indirecte belastingen een aantasting van die koopkracht organiseert. Maar, onder meer als gevolg van de concurrentie die bestaat tussen de syndicale organisaties onderling, zal de druk blijven bestaan om toch reële loonsverhogingen uit de brand te slepen. Wanneer de economie en de afzetmarkten van de bedrijven voldoende groeien, kan dat uiteraard: als de koek groeit, genieten ook de werknemers mee van de vooruitgang. Is die marge er echter niet of onvoldoende, dan tast het indexmechanisme niet alleen de tewerkstelling, maar ook de winstgevendheid van ondernemingen aan. De toekomstige positie van het bedrijf staat op de helling. En ook de werkgelegenheid.Het valt dus niet te ontkennen: zelfs in een periode van lage inflatie heeft het indexmechanisme een negatieve invloed op de werkgelegenheid. In het kader van het nationaal werkgelegenheidsplan zou het dan ook moeten worden afgeschaft. Helaas zal dat niet zo zijn. JOHAN VAN OVERTVELDT