Het jaarverslag van de Nationale Bank schetst de economische en monetaire ontwikkelingen in dit land in zonnige tinten. Grondige analyse legt echter donkere schaduwzijden bloot. Er is geen reden om de toekomst minder bezorgd tegemoet te zien.
...

Het jaarverslag van de Nationale Bank schetst de economische en monetaire ontwikkelingen in dit land in zonnige tinten. Grondige analyse legt echter donkere schaduwzijden bloot. Er is geen reden om de toekomst minder bezorgd tegemoet te zien.Sedert jaren reeds leven de Belgen in een staat van hoge welvaart ; de actieve werknemers halen gemiddeld de hoogste arbeidsproductiviteit en de hoogste lonen van Europa. Het land heeft de hoogste exportquote en produceert al die welvaart met de laagste arbeidsparticipatie (37 % tegen 46 % in Duitsland). België kent de laagste armoede-graad (6 %) en het heeft tegelijk de hoogste spaarquote van de Europese Gemeenschap (19 %).En, zo blijkt uit het jongste jaarverslag van de Nationale Bank, daar kwamen in 1995 nog wat adelbrieven bij. De frank werd één van de meest stabiele en sterke munten van de wereld. De Bank moest zelfs 500 miljard franken verkopen om een overwaardering van onze valuta op de wisselmarkten te voorkomen. Dat leidde er mede toe dat de inflatie en de rentevoeten daalden tot een historisch laag peil. De gezondheid van de Belgische economie bleek verder uit het nogmaals stijgend overschot op de handel met het buitenland (5 % BBP). Bovendien verminderde het begrotingstekort tot 4,5 % (5,3 %) en ook de overheidsschuld daalde met twee procent-BBP tot 133 % BBP. DE KEERZIJDE.Vanuit die eenzijdig positieve belichting lijken de Belgen zowaar dicht bij het aards paradijs te leven. Maar niets is minder waar : Tegenover de sterke munt was er in '95 het verlies aan internationale competitiviteit ten overstaan van de landen met vlottende valuta, wat de export en de tewerkstelling negatief beïnvloedde. Tegenover de hoge arbeidsproductiviteit en de stijgende rentabiliteit van de bedrijven was er de recordhoge en nog toenemende werkloosheid. Tegenover de lage arbeidsparticipatie staat het probleem van de loodzware sociale kosten die drukken op het geringe aantal actieven. Tegenover de hoge spaarquote was er de relatieve daling van de particuliere consumptie, mede oorzaak van de tegenvallende economische groei ; slechts 1.9 % tegen 2.6 % als gemiddelde bij de buren. Tegenover de ruime sociale wetgeving en de lage armoedegraad staan een recordhoge overheidsschuld en ondraaglijke rentelasten. En tegenover de daling van het overheidstekort staat het nog toenemend beslag op het inkomen van de actieven en een nog verdere terugloop van het reeds zeer ondermaats bedrag aan overheidsinvesteringen. Bovendien vergen balansgegevens een nadere analyse op werkelijke inhoud en karakter alsmede een vergelijking over de jaren, om te speuren naar ontwikkelingen in de tijd. Wie die oefening maakt, merkt dat het gunstige beeld uit de eerste kennismaking met de balans van de Nationale Bank enkele zeer verontrustende schaduwzijden vertoont. Zo blijkt (tabel 1) dat de overheidsschuld in werkelijkheid steeg met 401 miljard, waarvan echter maar 227 miljard tot uiting komt in de geconsolideerde brutoschuld, het criterium dat gehanteerd wordt door de Europese Unie. Het verschil schuilt in de aanzienlijke daling (174 miljard) van de post financiële activa. De daling van de schuldratio naar Europese normen werd zodoende bereikt door verkoop van activa. Nu is dat op zichzelf geen slechte zaak. Ook een onderneming met hoge schuldenlast zal activa te gelde maken en daarmee haar schuldenpositie verlichten, in zoverre deze afstand van activa haar toekomstige rentabiliteit of haar continuïteit niet in het gedrang brengt.Logischerwijze moet men er dan wel rekening mee houden dat het gaat om uitzonderlijke en eenmalige inkomsten, dus niet recurrent of voor herhaling vatbaar. Zonder deze inkomsten zou de geconsolideerde brutoschuld 10.701 miljard frank hebben bedragen, wat een schuldratio van 136 oplevert. De officiële daling van de schuldratio spruit dus niet voort uit de operationele bedrijfsvoering. En dat "uitzonderlijk" karakter van het te financieren saldo roept uiteraard vragen op naar de bestendigheid van deze prille baissetrend. Het totaal van die activa bedraagt trouwens nog slechts 465 miljard, of een reserve van slechts twee jaar bijpassing op het niveau van 1995.UITZONDERLIJKE WINST.Eenzelfde redenering geldt overigens ook voor de daling van het begrotingstekort met 0.8 BBP-punt tot 4,5 %. Ofschoon er een bijkomende rentelast van 27 miljard woog op het additioneel jaartekort (netto 401 miljard) moest de overheid in '95 per saldo slechts 668 miljard rente betalen op haar openstaande schuld of 53 miljard minder dan het jaar voordien. Dat betekent een netto besparing van 80 miljard of omtrent één punt BBP. De operationele besparingen van de regering leverden uiteindelijk dus nog een negatief saldo op van 0,2 BBP-punt. Dat is dan ook de reden waarom het primair saldo, met name het begrotingsoverschot op de courante uitgaven, exclusief de rentelast, weer daalde van 5 % tot 4,7 %, terwijl het net de bedoeling was om in '96 dit saldo op te voeren tot 5,8 à 6 %, precies om (samen met het tekort van 3 %) de rentelast van 9 % van het BBP te dragen. Ook deze puur financiële winst moet in zekere zin als een uitzonderlijk inkomen worden beschouwd. Zelfs bij verder ongewijzigd renteniveau kan het resultaat van de voorbije rentedaling slechts één keer worden aangewend om operationele tegenvallers te compenseren.RENTESALDO VAN 40 MILJARD.Maar er is meer. De rentedaling zette zich de voorbije maanden nog onverminderd voort, wat betekent dat ook de begroting '96 van een ruimte rentemeevaller kan genieten. De regering had voor haar begroting op een verdere daling van de driemaandelijkse rente tot 4,6 % gerekend. Het Instituut voor de Nationale Rekeningen voorspelt nu echter voor '96 een korte rente van 3,2 %. Het is dus best mogelijk dat de overheid in '96 nog eens 1,9 procentpunt kan winnen na de daling van 1,3 procentpunt van '95. Op een korte schuld van omtrent 2000 miljard maakt dat 38 miljard. En ook de langetermijnrente bleef inmiddels dalen tot omtrent 6 %. De invloed daarvan op de gemiddelde rentelast is uiteraard niet zo groot als voor de korte termijn, omdat dit lager tarief alleen geldt voor de nieuwe leningen maar het gemiddelde (8,1 % in 95) kan ongetwijfeld nog met een 0,3 procentpunt dalen tot bijvoorbeeld 7,8 %, een positie die eind '95 trouwens reeds werd bereikt en die mogelijk voor '96 kan worden aangehouden. Op 8000 miljard betekent dat weer een winst van 24 miljard. Samen dus 62 miljard rentewinst, verminderd uiteraard met de rente op de nieuwe additionele schuld van 400 miljard (à 5,5 % is dat 22 miljard). Zo blijft er netto nog een positief rentesaldo van omtrent 40 miljard.Dat brengt meer in het laatje dan het missen van een 0,6 procent groei (1,6 i.p.v. 2,2 %) eruit doet verdwijnen. Want die kost het overheidsbudget op directe wijze slechts 24 miljard (0,6 % op zowat de helft van omtrent 8000 miljard) en wellicht nog eens zoveel op indirecte wijze, bijvoorbeeld door de stijging van de werkloosheid. Een vrij evenwichtige compensatie dus. Maar aangezien de overheid traditioneel een tekort heeft op de ramingen, behalve in de jaren van de verrassend hoge inflatie in 1974 en 1975, zal er toch weer een bijkomende 30 miljard gezocht moeten worden. Hoe dan ook, de regering juicht en ziet de 3 %-norm al binnen bereik in de resultaten van 1996, uiteraard mede dankzij de meerinkomsten en de besparingen die reeds vorig jaar gepland werden voor het huidig begrotingsjaar.NIEUWE ONTSPORING.Onze persoonlijke bedenking dat het tekort over '96 uiteindelijk toch omtrent 3,5 % zal bedragen is in deze bijdrage minder relevant. Maar alleszins kan worden berekend dat het gejuich van de regering niet lang zal aanhouden. Want in '97 en '98 dreigt een nieuwe ontsporing van de overheidsfinanciën, zelfs als de economische groei in '96 moest toenemen, zoals Fons Verplaetse voorspelt. De gouverneur van de Nationale Bank rekent daarbij in eerste instantie natuurlijk op een hogere groei in de buurlanden, meer bepaald in Duitsland. Daarbij dient echter opgemerkt dat de economische groei in België stelselmatig en beduidend onder die van de buurlanden en voornaamste handelspartners blijft (tabel 2). Om in België een groei van 2,2 à 2,4 procent te bereiken, moet Duitsland een groei van 3 % kennen, maar die wordt daar nog niet voorspeld. En die groei is dan nog net onvoldoende om de budgettair dure werkloosheid substantieel te verminderen. Vooraleer de overheid in '97 hogere groei-ontvangsten zou kunnen boeken, zal de Bundesbank de (korte) rente echter al lang hebben opgetrokken om de inflatiedreiging af te weren, die traditioneel uitgaat van een substantieële herneming. Het is immers bekend dat de Bundesbank niet lang aarzelt om de korte rente op te trekken als zij dat nodig acht. Temeer omdat Duitsland zijn openbare schuld niet op korte termijn financiert zoals België (deels), zodat het er ook geen nadelige budgettaire gevolgen van ondervindt. En die hogere rente zal voor België een pijnlijk exponentieel effect hebben. Een twee procentpunt hogere korte rente in 1997 (5,2 i.p.v. 3,2) zou de overheid dan 40 miljard kosten, tenzij de minister van Financiën van de huidige historisch lage langetermijnrentevoet gebruik zou maken om de kortlopende schulden naar lang om te zetten. Maar dat kost de overheid nog meer, aangezien die langetermijnrente momenteel 6 % procent bedraagt en bovendien een stijgende trend vertoont. Zelfs een kwartprocent hogere gemiddelde rente op de langlopende schuld kost de overheid nog eens 20 miljard. Samen dus 60 miljard. Die argumentatie wettigt dan ook volkomen onze stelling dat de budgettaire winst op de rentelasten zeker die van 1996 als een eenmalig inkomen beschouwd moeten worden. In 1997 dienen echter ook de eenmalige besparingsmaatregelen ten belope van zowat 50 miljard voor '96 voorzien nog eens in structurele maatregelen te worden omgezet. Wat geen eenvoudige zaak is, want uit de fiscale inning van 1995 (45,88 % tegenover 46,30 % in '94) blijkt dat hogere tarifering (o.m. de niet-indexering der belastingschalen) zich niet altijd vertaalt in een evenredig hogere inning, mede ingevolge het elasticiteitseffect. Die omzetting van tijdelijke naar permanente maatregelen zou dus hoofdzakelijk moeten gebeuren op het niveau van de operationele uitgaven, uit bijkomende besparingen. Voor de begroting '97 geeft dat dus een totale besparingsopdracht van 110 miljard. Daar mag dan het voordeel van een 0,7 % hogere groei van afgetrokken worden (de helft van 55 miljard) met name 27,5 miljard, maar dat stemt dan weer overeen met het statistisch spontaan tekort van elke begroting. Zodat ingeval van een groeistijging tot 2.3 % het tekort weer met 100 miljard zou toenemen, of met 1,25 % BBP. Gek genoeg zou de situatie voor de minister van Begroting daarom interessanter zijn bij een ongewijzigde groei, op voorwaarde dat die ook zou leiden tot een ongewijzigde rente, zowel kort als lang, want een verdere daling van de rente ziet niemand nog zitten. Prettig is die situatie echter ook niet, aangezien de eenmalige maatregelen van 50 miljard in structurele moeten worden omgezet, wat zonder groei zo pijnlijk zou zijn dat Fons Verplaetse zelf die omzetting zou uitstellen tot de conjunctuur dat toelaat.VOORBARIG GEJUICH.Zodoende lijkt het bijna vast te staan dat België, als het er al in slaagt het te financieren saldo in 1996 terug te dringen tot 3 % BBP, dat minimale streefcijfer voor intern gebruik (en de Maastrichtnorm) nadien niet zal kunnen handhaven. Zodat de triomfantelijke bedenking van de gouverneur van de Nationale Bank dat het Belgische tekort in '96 vermoedelijk lager zal zijn dan het Duitse, wel eens voorbarig zou kunnen blijken, en alleszins niet voor herhaling vatbaar. Wellicht is men zich daarvan in regeringskringen ook bewust en is dat de voornaamste reden om zo fel aan te dringen op een spoedige verwezenlijking van de Monetaire Unie. Nadien zal men immers meer moeite hebben om die normen nog te halen, tenzij we gered zouden worden door onwaarschijnlijke groeicijfers van omtrent 5 % of door een weer hoog oplopende inflatie, op voorwaarde dan nog dat die beter beheerd zouden worden dan in het verleden het geval is geweest.HYPOTHEEK OP GROEI.Sedert jaren verwaarloost ons land bovendien de infrastructurele en technologische investeringen en de inspanningen inzake fundamenteel onderzoek en ontwikkeling, de hefbomen van de toekomstige welvaart. Op die prioritaire terreinen presteert ons land maar de helft meer van het Europees gemiddelde. In de jaren '80 was daarvoor geen geld, o.m. ingevolge de 5 % BBP hogere uitgaven voor de sociale zekerheid dan het Europees gemiddelde (28 tegenover 23 %), en sedert '90 ingevolge de 5 % BBP hogere rentelasten dan het Europees gemiddelde.Hoe dan ook, het duo Verplaetse-Dehaene blijft zich vastklampen aan de 3 %-norm als een maximum van het te financieren saldo. Daarop toegeven betekent economische zelfmoord, zegt Verplaetse. En daarin heeft hij gelijk. In hun functie moeten zij bovendien overtuiging en optimisme uitstralen. Maar wij kunnen ons nauwelijks voorstellen dat ook zij niet weten hoe groot de bijdrage van de internationale rentedaling is geweest in de recente sanering van de publieke financiën, en dat zij de problemen niet zouden onderkennen die kunnen voortspruiten uit een inverse rentebeweging. Dat laatste is alvast de Duitsers niet ontgaan : sedert een paar maanden eisen die van de andere landen waarborgen in verband met het permanent en structureel karakter van hun schuldensanering. En die waarschuwing was ongetwijfeld niet gericht aan Italië of Spanje, die wegens te hoog begrotingstekort (7 %) toch niet aan de EMU kunnen deelnemen (zo die er al komt). Die verwittiging was wél gericht aan Frankrijk en België zonder wie de EMU echter weinig bestaansreden heeft. Mischien is die EMU inderdaad overbodig (zie ook Trends van 15 februari), tenzij dan om de Europese landen tot budgettaire discipline te brengen. Maar dat kan toch niet de specifieke doelstelling zijn van een monetaire unie ? ANDRÉ LAMMENSGOUVERNEUR FONS VERPLAETSE (NATIONALE BANK) Voorbarig gejuich ? Het lijkt bijna uitgesloten dat België, als het er al in slaagt het te financieren saldo in 1996 terug te dringen tot 3 % van het BBP, dat streefcijfer nadien zal kunnen handhaven.