België is een federale staat, maar op partijpolitiek niveau al confederaal. Afgezien van de PTB/PVDA zijn er geen unitaire partijen vertegenwoordigd in de parlementen. Sinds het einde van de jaren zestig zijn de traditionele partijen gesplitst. De socialisten gingen later uiteen, in 1978 werd de unitaire BSP/PSB opgesplitst. Harry Van Velthoven brengt in Bevriende vijanden het verhaal van de scheidende Belgische socialisten. Het was een complex ont...

België is een federale staat, maar op partijpolitiek niveau al confederaal. Afgezien van de PTB/PVDA zijn er geen unitaire partijen vertegenwoordigd in de parlementen. Sinds het einde van de jaren zestig zijn de traditionele partijen gesplitst. De socialisten gingen later uiteen, in 1978 werd de unitaire BSP/PSB opgesplitst. Harry Van Velthoven brengt in Bevriende vijanden het verhaal van de scheidende Belgische socialisten. Het was een complex ontbindingsproces, dat werd beïnvloed door sociaaleconomische en culturele factoren, maar ook door generatiewissels. Wie het relaas van Van Velthoven leest, kan zich erover verbazen dat de Belgische socialisten niet vroeger uiteen zijn gegaan. Al voor 1914 sluimerde een conflict in de Belgische Werkliedenpartij (BWP). Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er almaar meer spanningen tussen de Vlaamse en de Franstalige socialisten. In grote conflicten als de Koningskwestie en de Schoolstrijd trokken ze nog samen op. De eerste echte barsten in de unitaire partij kwamen er in 1960-1961 met de stakingen tegen de Eenheidswet, die vooral een Waals fenomeen waren. Maar de BSP bleef samen omdat de Vlaamse socialisten het gevoel hadden dat ze zonder hun grote Waalse broer veel zwakker zouden staan. Bij de Waalse socialisten was er ook verdeeldheid. De Brusselaars en Henegouwers waren minder enthousiast over de stakingen. De unitaire krachten in de partij haalden de overhand. Maar unitair betekende wel dat de Franstaligen altijd de eerste viool zouden spelen. Tot 1971 telde de BSP één, steevast Franstalige voorzitter. De Vlaamse kopstukken zoals Jos Van Eynde waren tweederangsfiguren in de partijstructuren. Veel veranderde in de jaren zeventig, toen de communautaire partijen als de Volksunie, het FDF en RW aan een opmars begonnen. In Brussel ontstond met de Rode Leeuwen een Vlaamsgezinde drukkingsgroep. Vanaf 1971 kreeg de partij een Vlaamse covoorzitter. Eerst Willy Claes en daarna Karel Van Miert, die in 1978 voor de scheiding koos. Dat was volgens Van Velthoven niet alleen het gevolg van de taalverschillen. Ook het uiteengroeien van de Vlaamse en Waalse economie speelde een rol. Er waren ook verschillende visies op socialisme: een Scandinavisch controlerend tegenover een Frans etatistisch model.