Schaken is een van de populairste bordspelen ter wereld. Het is ook een van de oudste bordspelen, vermoedelijk ontstaan in de zesde eeuw in Oost-Perzië, nu het noorden van India. Van het schaakbord zoals we dat vandaag kennen, met zwarte en witte vakken, werd het eerste exemplaar in Europa gesignaleerd in de elfde eeuw.
...

Schaken is een van de populairste bordspelen ter wereld. Het is ook een van de oudste bordspelen, vermoedelijk ontstaan in de zesde eeuw in Oost-Perzië, nu het noorden van India. Van het schaakbord zoals we dat vandaag kennen, met zwarte en witte vakken, werd het eerste exemplaar in Europa gesignaleerd in de elfde eeuw. Schaken lijkt zeer complex, maar je kan het op verschillende niveaus spelen: op hoog professioneel niveau, maar ook onder vrienden voor de gezelligheid. Velen veronderstellen dat sterke schakers ook bollebozen zijn, intelligente wiskundeknobbels met een exceptioneel rekenvermogen. De beroemde Nederlandse schaakonderzoeker Adriaan de Groot bewees in zijn onderzoek, een halve eeuw geleden (zijn proefschrift werd gepubliceerd in 1946), dat dit niet zo is. Schaakgrootmeesters zijn niet intelligenter dan zwakkere schakers: ze hebben geen hoger IQ en blinken evenmin uit in wiskunde. Wat hen onderscheidt van gewone schakers is hun uitzonderlijk vermogen om patronen in één oogopslag te herkennen. De Groot liet grootmeesters en gewone schakers gedurende vijf à zes seconden naar een stelling kijken. De grootmeesters konden de stelling met 92 % nauwkeurigheid reproduceren, terwijl gewone schakers niet verder kwamen dan 50 %. Dat verschil stelden de onderzoekers alleen vast bij stellingen die zich in een gewoon schaakspel kunnen voordoen en niet wanneer de stukken willekeurig op het bord worden geplaatst. In dat geval scoren beide groepen gelijk. Volgens Adriaan de Groot zijn schaakgrootmeesters gewoon beter omdat ze veel meer schaakervaring hebben en dus getraind zijn in het herkennen van patronen. De Amsterdamse onderzoeker Daan van Zult wierp begin dit jaar nieuw licht op het onderzoek van De Groot en vond wél een onderscheid in rekentalent tussen schaakgrootmeesters en minder goede schakers. Sterke schakers vallen bij het oplossen van schaakstellingen inderdaad niet meteen terug op hun rekentalenten, maar als je die uitschakelt, brengen ze er toch minder van terecht. Van Zult testte het rekenkundig talent van schakers onlangs op het wereldkampioenschap in Dresden: de schakers moesten schaakopgaven oplossen die ze via een koptelefoon te horen kregen. Recent lichtte een Duitse onderzoeksgroep nog een tip van de sluier op. Zij toonden aan dat schaakexperts zo ge-oefend raken in het herkennen van schaakpatronen dat ze courante stellingen onbewust kunnen beoordelen, dus letterlijk in één oogopslag. Schaken beïnvloedt het denken, zoveel is zeker. Het oplossen van schaakstellingen oefent het brein. Daarom kan het een geschikt leermiddel zijn voor kinderen. Een aantal basisscholen in Vlaanderen en Nederland laat leerlingen schaken op school. Schaken zou het intellectueel functioneren en de attitudevorming aanscherpen. Je moet tal van denkprocessen inschakelen: observeren, inventariseren, gegevens ordenen en structureren, kritisch oordelen, analyseren, snel denken en onthouden. Kinderen die op school soms een aversie vertonen tegenover leren, kunnen op speelse wijze hun denkvermogen via schaken oefenen. Naast het denken beïnvloedt het bordspel ook de sociale vaardigheden. Zoals je eigen verantwoordelijkheid aanvaarden: schaken is een individuele sport; als je verliest, kan je het verloren spel op niemand afwentelen. Ook moet je de winnaar erkennen en tegen je verlies kunnen. Karel van Delft, nog een Amsterdamse onderzoeker, onderzocht het effect van schaken op andere vakken in zes Apeldoornse basisscholen. Hij vergeleek er 77 schakers met 201 niet-schakers. De schakers behaalden duidelijk betere scores op hun eindtoetsen rekenen, taal en informatie verwerken. Meisjes scoorden alleen beter op rekenen. De groep schakende meisjes was wel beduidend kleiner: het spel ligt hen duidelijk minder. Voorts toont Van Delft aan dat er geen verschil was in IQ tussen de schakers en de niet-schakers. Of het zinvol is om schaken in te voeren als facultatief vak in het basisonderwijs, is daarmee niet aangetoond. Het is wel zinvol om dit initiatief verder te onderzoeken. (*) DE AUTEUR IS ARTS EN HOOFDREDACTEUR VAN BODYTALK. Marleen.finoulst@bodytalk.be Door Marleen Finoulst (*)