De Belgische pensioenspaarders betalen tientallen miljarden euro's voor een verzekering die overbodig en niet eens waterdicht is. Die verzekering is het gewaarborgde rendement dat op het gros van de aanvullende pensioenreserves in de tweede pijler (arbeidsgebonden pensioensparen) en de derde pijler (individueel pensioensparen) van toepassing is. De schuldige is een vadertje staat, dat wil dat pensioenen gegarandeerd zijn en daarom vaak minimumrendementen voorschrijft of stimuleert.
...

De Belgische pensioenspaarders betalen tientallen miljarden euro's voor een verzekering die overbodig en niet eens waterdicht is. Die verzekering is het gewaarborgde rendement dat op het gros van de aanvullende pensioenreserves in de tweede pijler (arbeidsgebonden pensioensparen) en de derde pijler (individueel pensioensparen) van toepassing is. De schuldige is een vadertje staat, dat wil dat pensioenen gegarandeerd zijn en daarom vaak minimumrendementen voorschrijft of stimuleert. Fantastisch toch, denkt u misschien, die gegarandeerde return op het loon dat u opzijzet voor later? Maar om dat minimumrendement te behalen, worden de reserves voorzichtig belegd, met een voorkeur voor (overheids)obligaties. Dat levert een rendement van 4 à 5 % op, en dat is weggegooid geld. Want door een groter deel van de reserves te investeren in aandelen kan het rendement met 2 à 3 % worden opgetrokken. Elke procent extra rendement gedurende 20 à 30 jaar betekent aan het einde van de rit 15 à 20 % extra pensioenreserves. Op de huidige spaarpot van ruim 100 miljard te conservatief belegde reserves scheelt dat dus tientallen miljarden euro's. Een beleggingsstrategie met wat meer durf belooft een werknemer, die consequent 4 % van zijn loon opzij zet, een aanvullend pensioeninkomen dat tot enkele honderden euro's hoger is. Als werknemer vraagt u best eens na hoe uw werkgever uw aanvullend pensioen regelt. Dat is geen overbodige luxe, want wie moet terugvallen op het wettelijke pensioen nadat het laatste loonbriefje in de bus is gevallen, wordt doorgaans veroordeeld tot een forse daling van de koopkracht. Door het gewaarborgde rendement af te schaffen, kan de overheid het pensioeninkomen van heel wat mensen optrekken zonder dat dit de schatkist een euro kost. Een hoger rendement kan ook en moet meer mensen overhalen om nu geld te sparen voor de oude dag, want de participatiegraad in de tweede en derde pijler is nog altijd alarmerend laag. De gewaarborgde return is bovendien overbodig omdat de opbouw van pensioensreserves een beleggingshorizon van gemiddeld 20 tot 30 jaar heeft. Op die termijn is het risico dat turbulenties op de financiële markten een bres slaan in de pensioenreserves verwaarloosbaar klein. En mocht dat toch gebeuren, dan zal dat het minste van uw zorgen zijn, want dat zal het gevolg zijn van groter economisch onheil dat ook het wettelijke pensioen onbetaalbaar zal maken. En dan zal ook de gewaarborgde rente ook niet zo gewaarborgd blijken te zijn, wegens net zo goed onbetaalbaar. Bovendien is er nog een andere reden waarom het gewaarborgde rendement enkel een papieren belofte is. De waarborg is immers in nominale termen en garandeert dus niet de koopkrachttoename van de belegde reserves. Een hoger dan verwachte inflatie kan diepe bressen slaan in de koopkracht van de reserves, vooral als die, o ironie, in obligaties belegd zijn. Aandelen of vastgoed bieden een betere bescherming tegen inflatie. En het zijn niet de politici die de koopkracht van het papieren geld waarborgen. De Europese Centrale Bank moet dat doen, precies omdat het track record van de politici op dat vlak allesbehalve overtuigend is. (T) Door Daan Killemaes