Als je de media mag geloven, is iedereen het erover eens dat onze belastingwetgeving veel te ingewikkeld is. De politici weten niet meer wat ze stemmen. De belastingambtenaren krijgen de stof niet meer ingestudeerd. Studenten buizen. Kortom, doffe ellende op alle fronten.
...

Als je de media mag geloven, is iedereen het erover eens dat onze belastingwetgeving veel te ingewikkeld is. De politici weten niet meer wat ze stemmen. De belastingambtenaren krijgen de stof niet meer ingestudeerd. Studenten buizen. Kortom, doffe ellende op alle fronten. Daarom - een beetje lukraak gekozen - vijf tips die de zaak vooruit moeten helpen. Tip een. Zorg ervoor dat de drie gewesten hun fiscale wetgevingen beter op mekaar afstemmen. Sinds de regionalisering van sommige voorheen federale belastingen, bestaan er drie wetboeken onroerende voorheffing naast elkaar, drie wetboeken registratierechten en drie wetboeken successierechten. Ook voor andere geregionaliseerde belastingen bestaan er per gewest verschillende regelingen. Elk van die wetboeken bevat eigen definities, eigen regelingen, en eigen uitzonderingen. Erven of schenken ziet er tegenwoordig volledig anders uit, naargelang men zich in het Vlaamse, het Waalse of het Brusselse gewest bevindt. Niemand wordt daar nog wijs uit. De federale wetgever had een tijdje geleden de goede ingeving de bezwaartermijn te verlengen van drie naar zes maanden. In zijn eentje besliste het Vlaamse gewest vervolgens de bezwaartermijn inzake onroerende voorheffing op drie maanden te behouden. Een beter voorbeeld van hoe het - met het oog op vereenvoudiging - niet moet, is moeilijk te bedenken. Tip twee. Schaf de bezwaarprocedure inzake inkomstenbelastingen af in die gevallen waarin de administratieve geschillenregeling opgestart is met een bericht van wijziging. De procedure wordt er een stuk korter door. Wie een bericht van wijziging ontvangt, heeft in zijn antwoord reeds kunnen uiteenzetten waarom hij het niet eens is met de voorgenomen taxatie. In de daaropvolgende beslissing tot taxatie legt de Administratie op haar beurt uit met welke argumenten zij het niet eens is, en waarom dat zo is. Het bezwaar dat na de taxatie moet worden ingediend, dient dan alleen nog om de argumenten van de belastingplichtige nog eens te herhalen. En de beslissing over het bezwaarschrift staat meestal op voorhand vast. In de beslissing tot taxatie (die aan de inkohiering voorafgaat) heeft de Administratie meestal reeds definitief standpunt ingenomen. Weg dus met de bezwaarprocedure, en integreer die in de eerste fase van de administratieve geschillenregeling. Tip drie. Hou grote kuis in de overgangsregelingen. De huidige minister van Financiën heeft de fiscaliteit inzake de eigen woning drastisch vereenvoudigd. De aftrek voor de 'enige eigen' woning is - op enkele details na - een toonbeeld van eenvoud. Reynders verdient daarvoor een pluim op zijn hoed. De aftrek is in de plaats gekomen van een uiterst ingewikkelde combinatie van belastingverminderingen van het langetermijnsparen en het bouwsparen en van de zogenaamde 'bijkomende interestaftrek'. In een overgangsregeling heeft men die oude regelingen evenwel laten bestaan. Verrassend genoeg gelden die oude regelingen niet enkel voor oude leningen. Zij kunnen in bepaalde omstandigheden ook nog spelen voor leningen die nu worden afgesloten. Het gevolg is dat die ingewikkelde oude regelingen nog tientallen jaren kunnen voortduren. Bovendien zijn er arbitragemogelijkheden tussen het oude en het nieuwe stelsel. Het resultaat is dat de onroerendgoedfiscaliteit - ondanks de eenvoud van de nieuwe aftrek voor de 'enige eigen woning' - een nooit gezien kluwen vormt. Een vereenvoudiging vergt niet dat men die overgangsregeling overboord kiepert. Wel dat men aan nieuwe leningen geen toegang meer verleent tot het oude stelsel. Dan verdwijnt het binnen afzienbare tijd vanzelf. Tip vier. Schrijf duidelijke wetteksten. De wetgever wou in het kader van het Generatiepact bruggepensioneerden aanmoedigen het werk te hervatten. Dus voerde hij een bijzondere fiscale regeling in voor aanvullende vergoedingen die 'bovenop' een brugpensioen genoten worden. Vandaag breekt de fiscale wereld zich nog steeds het hoofd over de vraag welke vergoedingen dat dan wel zijn. Niemand weet het zeker. Duisternis heerst. Tip vijf. Schaf de notionele interest af. De aftrek voor risicokapitaal is in essentie vrij eenvoudig. Een vennootschap mag haar fiscale winst verminderen met een bepaald percentage van haar eigen vermogen. Maar bij nader inzien is de toepassing toch weer bijzonder ingewikkeld. De aftrek wordt immers berekend op het 'gecorrigeerde' eigen vermogen. Verschillende posten moeten vooraf in mindering worden gebracht. Dat maakt het voor de vennootschappen allesbehalve eenvoudig. Voor de Schatkist houdt de notionele interest anderzijds een groot risico in. Niemand weet wat de maatregel kost. Uitgaande van het enorme bedrag aan kapitaalverhogingen die het voorbije jaar zijn doorgevoerd, kan het voor de Schatkist meer dan even slikken worden. Dus weg met de notionele interest, en vervang hem door een eenvoudige verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting. Iedereen wint. De vennootschappen hoeven geen halsbrekende toeren meer uit te halen om de vennootschapsbelasting te drukken, en de Schatkist weet op voorhand bijna exact wat de maatregel kost. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. Jan Van Dyck