Bedrijventerreinen associëren we in België met traditionele, ietwat saaie ondernemingen. Je vindt een groot deel van onze economie in dat soort grijze stukjes beton aan de rand van steden en snelwegen. Maar tegenwoordig bestaat ook een nieuwe generatie hoogtechnologische tegenhangers, die vooral start-ups en hightechbedrijven samenbrengen. Hun doel? Lokale economieën nieuw leven inblazen, vaak nadat de oude economie er is weggetrokken.
...

Bedrijventerreinen associëren we in België met traditionele, ietwat saaie ondernemingen. Je vindt een groot deel van onze economie in dat soort grijze stukjes beton aan de rand van steden en snelwegen. Maar tegenwoordig bestaat ook een nieuwe generatie hoogtechnologische tegenhangers, die vooral start-ups en hightechbedrijven samenbrengen. Hun doel? Lokale economieën nieuw leven inblazen, vaak nadat de oude economie er is weggetrokken. "Er zijn heel veel woorden en begrippen in omloop", lacht professor Koen Debackere van de KU Leuven. Hij is een expert in innovatie-economie en deed ook onderzoek naar hightechclusters. "Je hebt hubs, je hebt clusters, je hebt hotspots, je hebt incubatoren, je hebt campussen. Maar in essentie enten die zich allemaal op iets wat economen de jongste decennia al heel vaak vaststelden. Bedrijven in innovatieve sectoren hebben heel wat voordelen van in elkaars buurt te zitten en een beroep te kunnen doen op het talent en de ondersteuning die zo'n cluster aantrekt." Het is het koffiemachine-effect. Mensen moeten elkaar informeel kunnen ontmoeten om tot nieuwe ideeën en samenwerking te komen. Innovatie is dus gebaat bij clusters van bedrijven die rond dezelfde thema's werken, en die elkaar kunnen ondersteunen. Tegelijk trekken die clusters cruciale ondersteunende diensten aan, van durfkapitalisten en getalenteerde werknemers tot juristen. Een effect dat heel wat actoren zoals overheden, universiteiten of investeringsmaatschappijen willen creëren door innovatieve bedrijven samen te brengen in één gebouw of bedrijventerrein. "Traditionele bedrijventerreinen zijn meestal veel heterogener", vertelt Debackere. "Daar zitten vaak ondernemingen uit heel wat verschillende sectoren. Clusters werken daarentegen thematisch en met een sterke focus op innovatie. Ze ondersteunen bedrijven ook vaker." Dankzij die thematische focus verschillen clusters ook van coworkingruimtes. Vaak zijn er daarnaast hoogtechnologische faciliteiten aanwezig, van cleanrooms - stofvrije ruimtes om contaminatie aan het productieproces te vermijden - tot laboratoria om specifieke bedrijven aan te trekken. Zulke clusters zijn ondertussen ook een beste praktijk voor overheden overal ter wereld, vooral om hun lokale hightecheconomie op gang te trekken. Clusters zie je overal verschijnen na herstructureringen, van Limburg na Ford Genk tot Charleroi na Caterpillar. "Of het nu op stads- of regioniveau is", vertelt Debackere. "Overal stel je die aandacht voor clusters vast. Het is een integraal onderdeel van zowat elk verhaal van economische groei en ontwikkeling. Innovatieve groeibedrijven hebben nu eenmaal de ondersteuning en magneetwerking nodig van een cluster, en daarom zet zowat iedereen erop in." Het grootste en meest bekende voorbeeld van zo'n hoogtechnologische cluster vind je in Limburg, op de oude terreinen van een andere multinational. "Traditioneel zijn we als Limburgers bescheiden, maar ik durf het toch te zeggen. Vandaag zijn we de grootste technologiecampus van Europa", steekt Raf Degens van wal. Hij is de algemeen directeur van de Corda Campus in Hasselt. Corda Campus verenigt 250 bedrijven die ongeveer 5000 personen in dienst hebben. Degens geeft wel toe dat de Nederlandse High Tech Campus in Eindhoven meer personen telt, zo'n 12.000. Maar als je kijkt naar het aantal bedrijven, staat Corda volgens Degens aan de Europese top. Corda Campus bezet de oude terreinen van Philips, dicht bij Hasselt. De Nederlandse multinational vertrok in 2002 uit Limburg. De stad Hasselt en daarna de Limburgse investeringsmaatschappij LRM namen het terrein over. LRM maakte er het succes van dat het nu is. "Tien jaar geleden werd Limburg bekeken als een problematische grensprovincie", vertelt Degens. "Wij kwamen uit de mijncultuur, en grote bedrijven zoals Ford en Philips verdwenen uit onze regio. Sindsdien hebben we ons moeten heruitvinden. Op Corda Campus hebben we resoluut de kaart getrokken van technologie en innovatie." Corda verhuurt meer dan 90.000 vierkante meter kantoren voor startende of snelgroeiende technologiebedrijven, maar evengoed voor grote klassieke bedrijven. De specialisatie van Corda is IT-bedrijven. Op de terreinen vind je zo iedereen, van Mobile Vikings tot het Duitse Software AG. "We runnen dit niet als een vastgoedproject", vertelt Degens. "En daarom is het volgens mij zo succesvol. We zitten in theorie misschien wel in vastgoed, maar het grootste deel van ons werk is eigenlijk community building (de werknemers van de verschillende bedrijfjes samensmeden tot één gemeenschap, nvdr). Wij ontzorgen bedrijven en hun werknemers. We maken dat Corda een hippe plaats is waar alles klaarstaat, van catering en vergaderzalen tot sportvoorzieningen. Dit is een dynamische site die jong talent aantrekt. Talent dat elkaar dan aan de koffiemachine tegenkomt, en zo ontstaat een vliegwieleffect." Een andere cluster met een Philips-geschiedenis is de Open Manufacturing Campus (OMC). "We zitten op de site van Philips in Turnhout", vertelt Marc Corthout, business development manager bij OMC. "Die is al een paar keer ingekrompen, maar er werken nog altijd honderden mensen in een hightechfabriek. Zeven jaar geleden besloten we de Open Manufacturing Campus op te richten. Zo konden we de kennis van Philips gebruiken in andere, groeiende bedrijven." OMC ontstond dus mede op initiatief van Philips, in tegenstelling tot Corda. Het focust op een heel specifieke niche, die in het Engels advanced manufacturing wordt genoemd, het gebruik van technologie om de productieprocessen in bedrijven te verbeteren. "We hebben bijvoorbeeld een 3D-printbedrijf dat direct lenzen print", vertelt Corthout enthousiast. "Die kunnen zonder nabewerking in brillen geplaatst worden". Het levert onder meer aan bedrijven die aan toegevoegde en virtuele realiteit werken. Met toegevoegde realiteit voeg je via je smartphone of ander toestel een digitaal laagje toe aan de werkelijkheid - denk aan toeristische info wanneer je je telefoon voor een bezienswaardigheid houdt. Virtuele realiteit gaat over werelden waarin je op een zintuiglijke manier wordt ondergedompeld met een speciale bril. De campus in Turnhout bestaat uit twee gebouwen, waar ongeveer twintig bedrijven zitten. Samen bieden ze meer dan 200 personen werk. De bedrijven profiteren van gespecialiseerde infrastructuur zoals stofvrije ruimtes en een gedeelde milieuvergunning voor de hele site. Volgens Corthout, die zelf dienst liep bij Philips, is de link met het Nederlandse bedrijf blijvend nuttig. "Er zijn studies over de verschillende campusconcepten", vertelt hij. "Die tonen dat het belangrijk is een zogenaamd ankerbedrijf te hebben. Een groot bedrijf dat er al zat en de hele ontwikkeling in gang trekt. In Nederland heb je een aantal locaties die zo'n formule met veel succes toepassen, zoals de High Tech Campus Eindhoven." Van de verschillende bedrijven een gemeenschap smeden en ontmoetingen tussen de ondernemers stimuleren is een van Corthouts belangrijkste taken. "Tijdens onze eerste lunch ontstond een discussie tussen een laserbedrijf en een farmabedrijf", vertelt Corthout. "De laserjongens konden met hun apparatuur heel precies de lektesten van medische apparatuur beter kalibreren. Dat zijn kleine dingen, maar het toont hoe samenwerkingen ontstaan. Dat is de kern van open innovatie. Het is niet te plannen, maar door samen te zitten creëer je nieuwe dingen." Ook aan de andere kant van de taalgrens blijken clusters een middel om economieën in gang te trekken. De gangmaker in Charleroi heet Thomas Dermine. "Ik ben geboren en getogen in Charleroi", vertelt hij. "Ik werkte vooral in de Verenigde Staten en Londen bij bedrijven zoals McKinsey, maar toen in 2016 Caterpillar zijn fabriek in Charleroi sloot, keerde ik terug." Vandaag leidt hij het zogenaamde Catchplan. Catch staat voor Catalysts for Charleroi en is een grootschalig reconversieplan om de economie van Charleroi erbovenop te helpen naar het model van het Salk. Dat actieplan was het Vlaamse antwoord op de sluiting van Ford Genk. "Het is een paradox van onze digitale wereld", vertelt Dermine. "Je kan vandaag onmiddellijk praten met iemand aan de andere kant van de wereld. Je zou dus denken dat afstand minder van tel zou zijn in onze economie, maar je ziet dat een beperkt aantal steden in de wereld het grootste deel van de start-ups en innovatieve economie opslokt. We moeten er dus voor zorgen dat tweedegraadssteden niet gemarginaliseerd worden, zo niet krijg je steeds meer fenomen zoals de brexit of de gele hesjes." Catch wil in Charleroi vier clusters versterken. Biotech zit in het Biopark bij de luchthaven, waar ook de cluster advanced manufacturing zit in het European Industrial Park. Daarnaast zijn er ook clusters rond digitalisering en de creatieve sector, en logistiek. "We moeten relevant blijven door extreem goed te zijn in niches, zodat we daar tot de wereldtop behoren", verklaart Dermine. "Een succesverhaal hier is biotech. In Noord-Charleroi hebben we een biotechcluster. Hoewel dat niet goed geweten is, behoren onze bedrijven daar tot de wereldtop in celtherapie. Dat alleen al zorgde voor 3000 banen in vijf jaar." De cluster rond advanced manufacturing heeft in Charleroi een lange voorgeschiedenis, zegt Dermine: "Wij maken bijvoorbeeld onderdelen van de Franse Ariane-raketten, de vliegtuigen van Airbus en de Franse TGV's. Op basis van die geschiedenis richtten we A6K op, een cluster in de oude gebouwen van de NMBS. Daar kunnen die hightechbedrijven beter samenwerken en gemeenschappelijke onderzoeksprojecten doen." Van het drie jaar durende Catchplan is ondertussen al twee jaar voorbij, en de resultaten blijken positief. Dermine claimt dat het plan een economische groei in gang zette die tegen 2025 voor 4000 à 6000 banen zal zorgen. Het doel is 6000 à 8000 banen. Dermine werd voor zijn harde werk verkozen tot Waal van het Jaar, maar Charleroi en heel wat andere regio's hebben nog een lange weg te gaan. "Een groot probleem is dat de banen die we creëren, meestal enkel toegankelijk zijn voor hoogopgeleiden", vertelt Dermine. "Voor de gemiddelde inwoner van Charleroi is het moeilijk. Onderwijs en opleiding moet daarom dé prioriteit worden voor investeringen vanuit de overheid. Technologie zal geen banen vernietigen, maar vergt wel een hoge graad van opleiding. Het is dus een race tussen technologie en onderwijs. Als we die race verliezen, zullen we een groot deel van de bevolking verliezen - clusters of niet."