De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Het botert niet altijd tussen de fiscus en de diensten van de sociale zekerheid. Neem de maaltijdcheques. Die zijn onder bepaalde voorwaarden zowel vrijgesteld van belasting als van sociale-zekerheidsbijdragen. Maar de voorwaarden die op fiscaal gebied werden gesteld, kwamen gedurende vele jaren niet overeen met de voorwaarden op sociaal gebied. In de praktijk kon men het dus meemaken dat bepaalde maaltijdcheques wel de fiscale vrijstelling konden genieten, maar niet de sociale, of vice versa. Die discussie behoort tot het verleden. Een aantal jaren geleden besliste de fiscale administratie zonder meer de sociale voorwaarden te volgen. Sindsdien lopen de voorwaarden gelijk. BEDRIJFSWAGEN. Een ander voorbeeld: de bedrijfswagens. Als een werknemer een bedrijfswagen ter beschikking krijgt waarmee hij ook privé-verplaat-singen mag doen, geeft dat aanleiding tot het belasten van een voordeel van alle aard. Parallel daarmee gaf hetzelfde voordeel op het gebied van de sociale zekerheid gedurende vele jaren aanleiding tot het heffen van een solidariteitsbijdrage in hoofde van de werkgever. Sinds kort moet voor het aanrekenen van het fiscale voordeel nog slechts rekening gehouden worden met een beperkt aantal privé-kilometers: 5000 als de afstand tussen de woon- en de werkplaats niet meer dan 25 km bedraagt, en 7500 als die afstand groter is. Aanvankelijk heeft de RSZ dezelfde regeling ook op sociaal gebied gevolgd. De solidariteitsbijdrage werd bijgevolg ook niet meer berekend op basis van het werkelijke aantal privé-kilometers, maar nog slechts op basis van maximaal 5000 of 7500 km. Aangenomen mag worden dat men binnen de RSZ niet echt tevreden was met de beperkte basis waarop de solidariteitsbijdrage voortaan nog slechts berekend kon worden (een basis die helemaal kon wegvallen, als de werknemer de waarde van het voordeel gewoon betaalde; dan was er geen voordeel meer). Vandaar allicht dat de RSZ de rol heeft gelost en een eigen regeling voor bedrijfswagens heeft doorgeduwd. Het resultaat daarvan is de nieuwe solidariteitsbijdrage die sinds begin 2005 wordt berekend op basis van de CO2-uitstoot van de wagen. AKKOORD. Een ander heikel punt vormen de fiscale akkoorden over kosten eigen aan de werkgever en de akkoorden of beslissingen over de fiscale kwalificatie van bepaalde inkomsten. Dergelijke akkoorden of beslissingen binden in principe alleen de fiscus. Maar wie over zo'n akkoord of beslissing beschikt, heeft uiteraard een belangrijke troef als hij in discussie moet treden met de diensten van de RSZ. Neem bijvoorbeeld een onderneming die een fiscale ruling verkrijgt, waarbij een forfaitair bedrag wordt vastgesteld dat aan bepaalde werknemers van het bedrijf mag worden uitbetaald als een vergoeding van kosten eigen aan de werkgever (en dat bijgevolg vrijgesteld is van belasting). De vraag is dan of hetzelfde bedrag ook vrijgesteld is van sociale-zekerheidsbijdragen. In het verleden is de RSZ er altijd van uitgegaan dat hij zich niets moest aantrekken van de afspraken die het betrokken bedrijf met de fiscus zou hebben gemaakt. En dat het bedrijf in kwestie zelf maar moest bewijzen dat de forfaitaire kostenvergoeding ook op sociaal gebied geen loon is, maar een vrijgestelde vergoeding van kosten eigen aan de werkgever. Het hoogste rechtscollege heeft de RSZ evenwel vorig jaar op dat punt teruggefloten (Hof van Cassatie, 2 februari 2004). Als een werkgever betwist dat een bepaalde kostenvergoeding geen loon is, maar wel een vrijgestelde vergoeding van kosten eigen aan de werkgever, dan ligt de bewijslast niet bij de werkgever. Het is dan aan de RSZ om het bewijs te leveren dat de vergoeding geen vrijgestelde kostenvergoeding is, maar wel een gewoon loon. Het spreekt voor zich dat de RSZ een akkoord waarbij dezelfde vergoeding op fiscaal gebied wel als een vergoeding van kosten eigen aan de werkgever wordt aangemerkt, in deze omstandigheden kan missen als kiespijn. WET. Meer dan waarschijnlijk ligt daar de oorsprong van het wetgevende initiatief om uitdrukkelijk in de wet in te schrijven dat fiscale akkoorden over kosten eigen aan de werkgever enkel de fiscus binden. Dat laat de RSZ toe om bij zijn bewijsvoering (dat bepaalde kostenvergoedingen wel degelijk als loon moeten worden aangemerkt) elke verwijzing naar fiscale akkoorden zonder meer naast zich neer te leggen. De nieuwe regeling zal niet enkel gelden voor fiscale akkoorden over kosten eigen aan de werkgever. Zij zal ook van toepassing zijn ten aanzien van akkoorden en beslissingen over de fiscale kwalificatie van inkomsten. Een akkoord of een beslissing die een bepaald inkomen bijvoorbeeld als een divers (niet-beroepsmatig) inkomen kwalificeert, zal dus door de RSZ ook zonder meer kunnen worden genegeerd. Vraag is alleen of een rechter die met een dergelijke betwisting wordt geconfronteerd, zich zal laten muilkorven. Dat fiscale akkoorden of fiscale beslis-singen juridisch niet bindend zijn voor de RSZ (wat ze trouwens vandaag ook niet zijn), verhindert immers niet dat ze een belangrijk feitelijk beoordelingselement kunnen vormen. Het lijkt er dan ook sterk op dat de RSZ met het nieuwe wetgevende initiatief slechts een achterhoedegevecht levert. Jan Van DyckDe RSZ heeft zelf de bewijslast dat het om loon gaat.