Het fraaie Europa, dat zich vergenoegd wentelt in de pretentie het prototype van de volmaaktheid aan te bieden, laat zijn achterste zien. Zo vat de reisleider de tocht samen, die hij maakt met een stel rijke toeristen door de goorste armenbuurten in onder meer Frankrijk, België, Duitsland en Italië. Het idee is even grandioos als grotesk en cynisch: in een luxebus toeren enkele rijkelui door achterbuurten, ze wandelen zelfs door straten waar ze zich alleen nooit zouden wagen. In plaats van hun kennissen en verwanten t...

Het fraaie Europa, dat zich vergenoegd wentelt in de pretentie het prototype van de volmaaktheid aan te bieden, laat zijn achterste zien. Zo vat de reisleider de tocht samen, die hij maakt met een stel rijke toeristen door de goorste armenbuurten in onder meer Frankrijk, België, Duitsland en Italië. Het idee is even grandioos als grotesk en cynisch: in een luxebus toeren enkele rijkelui door achterbuurten, ze wandelen zelfs door straten waar ze zich alleen nooit zouden wagen. In plaats van hun kennissen en verwanten te overbluffen met een reis door het Krugerpark, naar de Taj Mahal of een tropisch vijfsterrenstrand, vergapen ze zich politiek correct aan de armoede en de urbane desperado's. De toeristen in Nobele zielen worden niet alleen gegidst door een voormalig seminarist, maar ook begeleid door een licht ontvlambare stoere jongen uit de gure noordrand van Parijs. Tussen zijn sermoenen door wordt de reisleider smoor op het liefje van de banlieueknaap. Het kroesharige strijkstertje lijkt wel het archetype van de verschoppeling, het zwakke radertje waarop de opvliegende achterbuurtjongen zijn wrevel en frustraties afreageert. Als de reisleider zijn onhandige toenaderingspogingen inzet, sijpelt de spanning van de achterafstraten evenwel ook de bus zelf binnen. Zo'n uitgangspunt moet menig schrijver stikjaloers maken. De hamvraag luidt evenwel wat de auteur met zo'n vondst uitvoert. Lydie Salvayre heeft er alvast heel wat ophef mee gemaakt. Het succès de scandale spruit niet alleen voort uit het reisidee, maar evengoed uit het gore taalgebruik en de nerveuze stijl, waarmee ze al gauw ook een grimmige sfeer oproept. Het sarcasme, het wrange en onverbloemde stapelen zich op. Salvayre bedient zich van staccato zinnen die niet zelden schallen als vloekende frasen of stuiteren als elliptische spasmen. Haar favoriete register (dat ze ook al in romans als In gezelschap van spoken uit 1997 etaleerde) krast, kucht en krijst. Het is de stijl van roekeloos blootsvoets lopen over gemalen glas. In Nobele zielen horen we het rappen van de stinkende straat, niet van een afgeborstelde mannequin op een glamourpodium. Met een wrang register alleen heb je evenwel nog geen stevige roman. Salvayre, een kinderpsychiater die zelf opgroeide in de banlieue, vult haar personages niet echt op. Het blijven marionetten in een blauwdruk, naakte karikaturen die nog wachten op aankleding. Daardoor geraakt ook dat weergaloze uitgangspunt niet bijster sterk uitgewerkt, alle referenties, confrontaties en nobele bedoelingen ten spijt. Luc De DeckerLydie Salvayre, Nobele zielen. De Geus, 154 blz., 18 euro.