Diplomaat, kabinetschef, Eurocommissaris, topman van de Generale Maatschappij, bestuurder bij een hele reeks bedrijven. Op zijn 86ste heeft Etienne Davignon een rijk gevulde carrière achter de rug. Hij kijkt terug op zijn rol in het centrum van de Belgische sociaaleconomische en politieke machtscenakels. Het is een interessant document van de laatste vertegenwoordiger van de ooit zo machtige Belgische haute finance, een elite die door de internationalisering van de economie, de uitverkoop van grote Belgische bedrijven en de financiële crisis van 2008-2009 niet meer bestaat. Davignon kijkt niet met heimwee terug naar die periode. Wellicht ook omdat het palmares dat de Belgische haute finance achterlaat niet echt fraai is.

Etienne Davignon, Mijn drie levens, Lannoo, 280 blz., 25,99 euro

Davignon was diplomaat in Congo na de onafhankelijkheid van het land in 1960. Het tart alle verbeelding hoe zowel de Belgen als de Congolezen dat proces verknoeiden. Het rijkste land van Afrika verviel razendsnel in anarchie. De Generale Maatschappij was toen vooral bezig met het haar economische belangen veilig te stellen. Ze was het alfa en omega van de Belgische economie, maar dat veranderde in de jaren tachtig met de aanval van Carlo De Benedetti op de Generale en de overname van de holding door het Franse Suez. Davignon, die directeur was bij de Generale, schetst het beeld van een totaal vermolmde instelling.

Over de uitverkoop van de Belgische kroonjuwelen vanaf de jaren negentig toont Davignon geen spijt. Het was een normale evolutie in een globaliserende economie. Wel geeft hij toe dat hij een fout heeft gemaakt door eind 2008 de functie van voorzitter van Fortis te aanvaarden. Op een woelige algemene vergadering werd Davignon weggestemd.

Het interessantste zijn de portretten die Davignon schetst van mentors als Paul-Henri Spaak en vrienden als Albert Frère, Philippe Bodson, en ex-Fortis-voorzitter Maurice Lippens. Davignon neemt Lippens in bescherming: "Lippens wist wellicht niet welke risico's de bank allemaal nam." Opvallend is de kritiek op het Belgische koningshuis. Boudewijn was rancuneus en vergat nooit dat zijn oude vriend Mobutu openlijk kritiek had geuit op het koloniale beleid van Leopold II. Over het Paleis schrijft Davignon: "Ze persen je uit als een citroen, en als je uitgeknepen bent, word je aan de kant gezet."